Het juiste aquariumwater (6)

In deel 1 en 2 werd vooral gesproken over het natuurlijke water en zijn grote verscheidenheid in samenstelling. In deel 3 t/m 5 ging ik dieper in op de controle van het aquariumwater. In de laatste twee delen gaat het vooral over de verzorging en het onderhoud van het aquarium.

In natuurlijk water ondervindt jongbroed geen problemen op het gebied van het vinden van het juiste voedsel (foto R. Dijkstra)

De verzorging van het aquariumwater

Dat men zelfs een, voor het ogenblik, optimaal werkend aquarium nooit aan zich- zelf kan overlaten, spreekt - na de uiteenzettingen in deel 1 en deel 3 - eigenlijk vanzelf. Immers de voortdurende wisselingen van de afzonderlijke factoren (stikstof-, zuurstof-, kooldioxidekringloop, ionenverschuivingen enz.) zullen het water in ieder geval veranderen. Maar alleen daardoor wordt het voor het houden van vissen en het kweken van vissen niet bruikbaarder. Wat in ieder geval dient te gebeuren om goed water in deze toestand lange tijd in stand te houden, wordt in korte lijnen in dit hoofdstuk uiteengezet.

Frequente waterverversing is, naast andere maatregelen, de logische consequentie

Bezetting en voedering van de vissen

In een gezelschapsaquarium passen slechts vissen, die enigszins overeenkomende eisen aan het daar gebruikte water hebben. Overbezetting dient in ieder geval te worden vermeden. Het verdient voorts aanbeveling om voor de lengtemaat van een aquarium niet kleiner dan 80 tot 100 cm te nemen. Als vuistregel rekent men per vis op ongeveer 5 liter water.
Dit geldt uiteraard voor vissen met een maximum gewicht van 10 gram (karperzalmen, barbelen enz.). Voor maanvissen, discussen moet men rekenen op 25 liter water per vis. Deze laatste, grotere soorten hebben echter aan een aquarium met een lengtemaat van 100 cm zeker niet genoeg. Hier moet men toch al gauw uitgaan van aquaria met afmetingen van 200 x 60 x 60 cm met een netto-inhoud van 600 liter. Hierin kan men dan een vijftiental grotere vissen houden en een veertigtal kleinere soorten. Degene, die over genoeg ruimte beschikt en een partner heeft die ook grote interesse heeft in de hobby, kan verschillende gezelschapsaquaria inrichten:

  • én voor soorten zonder pretenties
  • én voor soorten met iets meer pretenties
  • én voor 'de prinsessen op erwten'

Men kan even goed ook voor een andere indeling van de categorieën kiezen, bijvoorbeeld alle vissen, die van extreem zuur en zacht water houden samen zetten en alle soorten die extreem alkalisch en hard water nodig hebben, in een ander aquarium doen. Voor de moderne aquariumhouder, die meestal lid is van een aquariumvereniging, is dit een vanzelfsprekend iets. Men zal echter menige aquariumwinkel, de goede niet te na gesproken, de kost moeten geven, die aan onwetende en goedwillende, beginnende aquariumliefhebbers, vrolijk Malawi-cichliden en discussen verkopen. Om maar met een extreem voorbeeld te komen. Dat men daarmee de eigen glazen ingooit, schijnen sommige winkeliers nog steeds niet te beseffen. Hiermee is tevens gezegd, dat het absoluut belangrijk is om precies te weten met welke vissen men van doen heeft, waar zij vandaan komen en hoe het milieu, waaruit ze komen, er uitziet. Welke onderzoeken daartoe vereist zijn, heb ik in deel 2 De controle van het aquariumwater beschreven.

Een bijzonder probleem vertonen de afzetbakken. Of zij stellen in hygiënisch opzicht, superaquaria voor. Vooral als de vissen uit biologisch oogpunt (bijvoorbeeld als zij broedzorg bedrijven [discussen e.d.]) daarin langere tijd moeten verblijven en zijn dan met alle denkbare hulpmiddelen uitgerust. Of het zijn slechts simpele glasbakjes zonder bodemgrond, waarin de vissen zich zonder al te veel poeha van hun geslachtsproducten ontdoen. Dergelijke ondecoratief aandoende bakken moeten bijzonder goed worden gedesinfecteerd, hebben een op de omstandigheden van de soorten afgestemd, kiemarm water nodig, waaruit de vissen na het afzetten dienen te worden verwijderd. Dat we het niet meer nodige sperma zo spoedig mogelijk dienen te verwijderen, daar het door zijn ontbindingsproces de eieren kan beschadigen, is bekend. Het probleem wordt vanzelf opgelost als men over turf filtert. Anders helpt dikwijls de filtering over actieve kool. Gevaarlijk wordt de zaak pas als het afzetten zich zolang voortsleept, dat de vissen in de afzetbak langere tijd moeten verblijven. In dergelijke gevallen helpt dan nog slechts waterverversing, minstens iedere 3de dag. Maar alstublieft niet zonder de gebruikelijke controle (temperatuur, pH, hardheid, nitriet, geleidend vermogen)!

De bodem bevat veel lateriet (Sarawak, Maleisië) (foto R. Dijkstra)Zodra het jongbroed uit het ei is gekomen, treden er nieuwe problemen op. Hier geldt niet meer de regel per vis 5 liter water, want anders zouden we reusachtige zwembassins moeten gebruiken. Het juiste te doen is niet altijd even gemakkelijk en de ervaringen van succesvolle kwekers kunnen niet vervangen worden door een reeks van fysisch-chemische watercontroles. Hier kunnen slechts wat trefwoorden van toepassing zijn: eventueel een dagelijkse 50%-tige waterverversing, het omzetten van vissen naar grotere bakken, verdeling van de school over verscheidene opkweekbakken.

De meeste aquaristen zijn van mening dat zij er goed aan doen hun vissen doorlopend vet te mesten. Bij sectie ziet men dan de dikke vetlagen om alle organen en door deze vetmassa komt men nu en dan en met de grootst mogelijke inspanning bij het te onderzoeken orgaan. Als men echter een in de vrije wildbaan vers gevangen vis onderzoekt, zal men nauwelijks bijzondere welvaartsverschijnselen bij hem aantreffen. Zelfs bij vissen die van nature vet zijn, zoals aal, haring, makreel, zalm zal nooit orgaanvervetting worden ontdekt. Dat is niet verwonderlijk, want in de vrije natuur moet een vis zich zelf om zijn voedsel bekommeren en daartoe heeft hij beweging nodig. In het aquarium heeft hij zijn regelmaat bij de maaltijden en hij krijgt zoveel voorgezet, dat hij nauwelijks kan opslokken en bovendien hoeft hij zijn spieren niet te belasten, zodat hij langzaam vervet. Ja, als hij dan door oververzadiging niet meer zoals vroeger eet, gelooft men, dat hij ziek is en doet men het verkeerde dat men in dat geval moet doen. Men probeert het nog een keertje door hem tussendoor nogmaals te voeren. Slechts weinig liefhebbers weten, hoe heilzaam het ook voor vissen kan zijn om een regelrechte vastenkuur in te voeren. Voor volwassen exemplaren kan men goed volstaan door bijvoorbeeld één week in het geheel niet te voeren. Sommige liefhebbers werken met één vastendag per week en andere zweren bij voedering om de dag. U moet zelf maar uitvinden wat u het beste voorkomt. Bedenk echter wel, dat minder hier altijd meer betekent. In die zin, dat minder voeren heilzaam is voor uw vissen en voor uw portemonnee. In de natuur vliegen de gebraden duiven de vissen ook niet in de bek en ook daar komen dagen voor, dat er niets of nauwelijks iets valt te eten. De oude regel zoveel droogvoer te geven, dat in een kwartier wordt gegeten, kan men beter vervangen door zoveel voeren, dat onmiddellijk wordt gegeten, waarbij de vissen moeten jagen om hun portie te bemachtigen. Indien men zich aan deze regel houdt, kan men zelfs een paar keer per dag voeren. Men dient hiermee niet alleen de gezondheid van de vissen, maar men bespaart zichzelf veel moeite. Want niet verbruikt voedsel ontbindt, brengt het mineraalgehalte van het water in de war, bevordert de ontwikkeling van bacteriën, infusoriën, algen, etc., veroorzaakt meer molm dan ons lief is, drijft het ammoniak-, nitriet- en nitraatgehalte van het water omhoog en is als zodanig schadelijk voor de vissen. Frequente waterverversing is, naast andere maatregelen, de logische consequentie. Het is doelmatig om in grotere gezelschapsaquaria steeds ook die vissen in te zetten, die zich als afvalverwerkers nuttig kunnen maken, bijvoorbeeld pantsermeervallen.

Sarawak in de jungleWist u trouwens, dat vissen in een aquarium met een normale visbezetting en dat goed uitgegroeide vissen zonder schade drie weken niet behoeven te worden gevoerd? U bespaart uw buurman, die toch niets van vissen weet, maar ook uzelf tijdens een vakantie hiermee een hoop zorgen.

Zelfs als beginnende aquarist hoeft men zich niet te beperken tot guppen, black molly's, plaatjes, zwaarddragers, rode rio's, neons, kardinalen, sumatranen e.d., maar kan men zonder angst te hebben ook andere vissen houden, die weinig eisen aan de waterkwaliteit stellen. Om er een paar te noemen zou men het met Hasemania marginata (koperzalm), die ook in kleinere aquaria (van ca. 40 cm lengte) goed gedijen, Moenkhausia sanctae filomenae, Trichogaster trichopterus, Puntius titteya, P. schuberti, Tanichthys albonubes (Chinese danio), Pelmatochromis klugei en Paratilapia multicolor kunnen proberen. Middelzware eisen aan de waterkwaliteit stellen bijvoorbeeld de bontbaarzen Pelmatochromis kribensis en Nannacara anomala. Ook Gyrinocheilus aymonieri en zalmen uit het geslacht Alestes stellen middelzware eisen aan de watersamenstelling. Hans J. Mayland schreef eind jaren zeventig van de vorige eeuw over de natuurlijke biotopen van Congozalmen van het geslacht Alestes: 'Het water daar is zacht en licht zuur, de bodemgrond donker en de beplanting is tamelijk dun. Ik heb de vissen gedurende verscheidene jaren in water met een totale hardheid van 18 °GH gehouden. De dieren zwemmen intussen in evenzo hard water samen met andere Congozalmen, keizertetra's en neontetra's. Ze worden slechts tweemaal per week gevoerd. De dieren lusten vrijwel alles. Voorwaarde voor een goede ontwikkeling is mijns inziens de grootte van het aquarium (350 liter).' Dat wij in 2008 enigszins geringschattend Mayland's kwalificatie 'grootte van het aquarium (350 liter)' zullen afdoen met 'bakken van 1.000 liter en meer zijn momenteel meer regel dan uitzondering,' dienen te bedenken, dat rond 1965 een aquarium met een netto-inhoud van 350 liter inderdaad als groot te boek stond. In 1965 had mijn bak een netto-inhoud van ca. 100 liter en toen al fronste mijn eega haar nog gladde, 25-jarige voorhoofd toen ik op een goede dag met deze in haar ogen veel te grote bak de kamer in kwam wandelen.

De hoogst denkbare eisen aan de waterkwaliteit en aquariumhygiëne stellen Chromobotia macranthus (clownbotia) en de groene discus Symphysodon aequifasciata aequifasciata.

Auteur: 
Dick Poelemeijer
Fotografie: 
Dick Poelemeijer