Cichlidioot: kersenbuiken

Aan de hand van dit artikeltje ga ik u vertellen hoe ik eind jaren zeventig in de vorige eeuw mijn hart verpandde aan de cichliden. Als u misschien mijn eerste artikel gelezen heeft, dan weet u misschien ook nog hoe ik in de hobby rolde en dat ik mijn eerste kersenbuiken bij mijn buurman te zien kreeg. Hij had toen net een nestje jongen, waarvan hij mij er een paar beloofde. Voordat ze uiteindelijk de grootte hadden, dat ze bij mij kwamen en zich zouden voortplanten, duurde nog wel even. Maar door een slimmigheidje van mijzelf kreeg ik deze vissen toch nog eerder in mijn bezit.

Pelvicachromis pulcher met jongen Pelvicachromis pulcher (vrouw)

De onvermijdelijke levendbarenden uit mijn beginperiode waren al uit mijn twee bakjes van toen verdwenen. In plaats daarvan had ik met een tweemeterbak in het vooruitzicht al de nodige koppeltjes dwergcichliden in huis gehaald. Het was bijna een verzamelmanie, een fout die velen van ons wel gemaakt zullen hebben in hun begintijd. Maar het ging toch meestal goed, omdat mijn bakjes één en al schuilplaats waren. De planten deden het met de summiere belichting van die bakjes toch niet zo goed. Tja, fouten maakt iedereen en ik als relatief onervaren aquarist in die tienertijd natuurlijk ook. Theorethische kennis had ik echter genoeg. Ik verslond echt alles, wat ik aan literatuur kon vinden. Mijn visjesmanie deed dan ook al gauw de ronde in de familie- en kennissenkring. Zo kwam het dat een man uit de kennissenkring van mijn ouders mij opbelde, want 'zijn vissen deden zo vreemd'. Daar aangekomen zag ik al gauw, wat het probleem was, namelijk hetzelfde als vroeger in mijn eerste bakje: te veel vis in de bak, slecht onderhoud etc. Ik had veel vis, maar deze man spande beslist de kroon met zijn ichtyologische verzameling. Hij moest dus uitdunnen en kreeg van mij voorlopig een luchtpompje. Daardoor hield hij in de 700-literbak vijf soorten vis over in de juiste aantallen. Ik vroeg hem of het hem niet wat leek om een stelletje dwergcichliden in de bak te zetten en overtuigde hem uiteindelijk met een complete uitleg over de vissen. De uitgevangen vissen gingen terug naar de winkel en daarvoor in de plaats nam ik een prachtig koppel kersenbuiken weer mee.

Het koppeltje was in de winkel al bezig met huwelijksvoorbereidingen; dus dat moest goed komen! Verder werd de bewuste bak goed gereinigd en compleet opnieuw ingericht inclusief een bloempotje voor Pelvicachromis pulcher. De bak was nu veel rustiger geworden en de vissen gedroegen zich weer normaal, dus ik liet een tevreden man achter. Na een week kreeg ik echter weer een telefoontje met de mededeling 'dat de kersenbuiken zo agressief deden en of ik weer even wilde komen kijken'. Met een bepaald vermoeden in mijn hoofd ging ik weer op weg. Daar aangekomen werd mijn vermoeden bevestigd. Er zaten eitjes in de bak!

Kweek

De kersenbuiken hadden een legsel en verdedigden natuurlijk het bloempotie, waarin ze afgezet hadden. Eigenlijk dus niets aan de hand en ik verzekerde hem, dat als hij de broedzorg een keer had gezien, dat hij dan verkocht zou zijn. Uiteindelijk bleek er steeds niets van de regelmatig geproduceerde legsels terecht te komen; het was schijnbaar 'te druk' in de huiskamer. Ik stelde dus voor om het koppel er maar uit te vangen en het dan maar bij mij te proberen. Zo gezegd, zo gedaan. En zo kwam ik dus aan mijn allereerste cichliden. Bij mij thuis stonden de bakjes op de slaapkamer en dat was natuurlijk veel rustiger.
Ze belandden in een bakje van 60 x 30 x 30 cm, dat met veel hout en stenen ingericht was. Er woonden op dat moment alleen maar twee kleine Nannacara anomalo in het bakje, die zo verborgen leefden, dat ik ze alleen maar met het voeren zag. Een binnenfiltertje, doorluchting en een summiere verlichting completeerden de zaak. Temperatuur op 25 °C, water met een GH en KH van 13,2 en 12, de pH was 7.2. Slechts één week na het overzetten hadden de vissen alweer een legsel en wel in een bloempotje, dat ik met opzet vlak achter de voorruit had geplaatst, zodat ik alles beter in de gaten kon houden.

Uiteraard had ik een stukje uit de rand getikt en het potje op zijn kop gezet. Puur toevallig betrapte ik het koppel bij het afzetten, omdat ik mijn kleine neefje mijn aquaria wilde laten zien. Die snapte niet veel van mijn commotie, dus ik stuurde hem maar weer gauw naar zijn moeder. Om de beurt gingen het mannetje en het vrouwtje naar binnen, waarbij het vrouwtje steeds het langste werk had. Tussendoor bij het in- en uitgaan werd er druk gebaltst en met het lichaam gesidderd. De geslachtspapillen waren duidelijk zichtbaar, zoals gebruikelijk de grootste bij het vrouwtje. Na een uur was de eiafzetting voorbij en begon het vrouwtje het legsel fanatiek te bewaaieren. Ze kwam de eerste vier dagen bijna niet de bloempot uit om wat te eten.
Bij zo'n uitje van haar maakte ik van de gelegenheid gebruik door even snel met een zaklampje in het potje te schijnen. Binnen zag ik ongeveer 70 barnsteen- kleurige eitjes tegen de achterwand zitten, waar een dag later weer een hoopje gelige larfjes lagen te wriemelen. Intussen hield het mannetje steeds de wacht en verdedigde het territorium.

Broedzorg

 Pelvicachromis pulcher (man)Pelvicachromis pulcher (vrouw) Pelvicachromis pulcher (man)Hij had het daarbij regelmatig aan de stok met het vrouwtje van Nannacara anomala, die zoals later bleek, ook een legsel had. Maar de kersenbuiken waren de baas, dus van dat legsel kwam niets terecht. Ik ving met enige moeite de dambordcichliden uit de bak, zodat de kersenbuiken meer rust zouden hebben in dit toch al kleine bakje.
Na het uitkomen van de eieren werden de larven nog dezelfde dag verplaatst naar een andere schuilplaats, die wat meer in het midden van de bak was gelokaliseerd. Deze schuilplaats had een achter- en vooringang en zoals ik bij latere kweken met Pelvicachromis-soorten constateerde, geven ze hier vaak de voorkeur aan. Is een van deze mogelijkheden niet aanwezig, dan wordt hier vaak door wat graafwerkzaamheden voor gezorgd. Het verhuizen vond daarna nog vier dagen plaats en op dag tien na de afzetting kwam het moederdier met een wolkje jongen tevoorschijn! Dit vertederende gezicht en de roerende broedzorg hebben er ongetwijfeld voor gezorgd, dat ik nooit meer van cichliden afgekomen ben.
Nu, 28 jaar na dato, ben ik nog steeds een fan van Pelvicachromis-- soorten en ook nu zwemt er een koppel met jongen in een van mijn bakken, zij het de soort Pelvicachromis subocellatus.

Opkweek

De 'pulchers' zorgden voorbeeldig voor hun bruingespikkelde jongen en op een dieet van stofvoer en Artemia-naupliën groeiden ze de eerste weken goed. Later kregen ze aan hun grootte aangepast voer en toen ze 3 cm groot waren, stond ik weer bij de oorspronkelijke eigenaar op de stoep. Die keek zich natuurlijk de ogen uit zijn hoofd, toen ik met het koppel en nog 72 stuks nakomelingen op de proppen kwam. Hij heeft het koppel plus twee van de jongen gehouden en de rest mocht ik verkopen en dat was bij een tiener natuurlijk welkom.

Nu is er natuurlijk nog een reden, waarom ik nou juist een artikel over deze vis geschreven heb. Ik vind het namelijk zo jammer, dat de oude bekenden bij veel cichlidenlief- hebbers niet meer zo populair zijn. We hadden het hier natuurlijk over de aquariumvorm van deze vis, die al jaren de tijd had om zich aan de aquariumomstandigheden aan te passen. Er zijn intussen meer lokale variëteiten bekend van deze vis; de ene nog mooier dan de andere. Misschien hadden we al eerder enkele van deze vissen in onze aquaria en hebben die zich in onze bakken vermengd. Ik kan mij door de jaren heen wel wat verschillende herinneren. Hoe dan ook, moeten het altijd de nieuwere soorten zijn?

Ik heb in mijn 'Aquazoo', mijn aquariumkamer, zowel oudere als nieuwere soorten. Uit Midden- en Zuid-Amerika, West-Afrika en het Tanganjikameer. Maar ja, dat kan ook niet iedereen. Zijn bijvoorbeeld Nannacara anomala, Laetacara dorsigera of dergelijke oude bekenden geen hele mooie vissen? Ja toch?!
Maar goed, een ieder zijn smaak. Maar laten we alsjeblieft zulke misbaksels als de zogenaamde papegaaicichlide uit onze hobby bannen!

Auteur: 
W.H. Bijker
Fotografie: 
Anton Lamboj