Het verhaal van een Pelvicachromis pulcher

Louter toevallig belandde ik in een groot gezelschapsaquarium, omdat de handelaar me, samen met de begeerde purperkoppen, in zijn netje strikte. En omdat ik nog erg klein was (anders had hij zich zeker niet vergist), kon ik mijn zwemgeluk niet op. Niet lang daarna ontmoette ik, tijdens een van mijn buitenissige zwemsolo's, een soortgenoot. Was die hier op identieke wijze beland?

Aanvankelijk trok ik me van hem helemaal niets aan, maar toen we volwassen werden ergerde hij me mateloos. We waren immers niet alleen van dezelfde leeftijd (dat was op zich helemaal niet erg), maar ook van hetzelfde geslacht (en dàt was pas een ramp). Dus maakte ik hem duidelijk, dat ik onomstotelijk de baas was.
Zo verwierf ik het privilege om als eerste de lekkerste hapjes te selecteren, eigende me de best gelegen en natuurlijk ook de grootste kokosnoot toe en zwom voor de lol adellijk voorbij de neerbuigende en bijna kleurloze ondergeschikte. Op een dag (ik had reuze honger) hapte ik driest naar de sappigste worm en was plots te gast in een net. Ik spartelde in doodsangst, maar raakte het net niet uit. Toen ik weer te water werd gelaten, ging ik ijlings op zoek naar mijn soortgenoot om hem wrekend te kwellen. Maar o, la, la! Er was iets niet pluis.

Het paar kersenbuikcichliden: het mannetje bewaakt het hol, waarin het vrouwtje met eieren zit.Als een dolleman raasde ik door een bak heen, waarvan de glaswanden dichter bij elkaar stonden dan ik gewend was. Bij mijn tweede ijltoer bemerkte ik de vreemde omgeving. Uit de derde supersnelle sightseeing leerde ik dat dit een andere wereld betrof en bij de vierde race zag ik haar. Ze was wel het allermooiste wijfje dat ik ooit had gezien (of was ze het eerste). Ik remde plots af, met alle gevaren van dien, en bleef stokstijf in het water hangen. Dolgraag had ik haar met een waarderend tweetonig fluiten beloond, doch ik hapte slechts water.
'Hallo lieverd!' groette ze met een paarsrood, rond buikje.
'Ik heb wel zin om wat met jou te stoeien,' sidderde ze met een gekromd lijfje. Ze zwom zijdelings op me toe.
'Of heb je misschien geen zin?' trilde ze hevig zwenkend met de staart.
'Toch wel,' pronkte ik met wijd open bek en uitgezette kieuwen.

Ze schoot almaar naar voor en achter en zweefde als een sibille met samengeknepen rokje voor me. Ik knipperde even met de ogen... en plots was ze weg. Dankbaar om deze kleinere woonruimte begon ik te zoeken. Er stonden een groot stuk kienhout en diverse kokosnoten. Koortsachtig, maar methodisch doorzocht ik alle schuilplaatsen in het kienhout, schoot flitsend heen en weer tussen de bosjes Vallisneria en wipte in elke kokosnoot even aan. In de laatste zag ik haar ogen oplichten. Roodpaars met goud nodigde ze me uit. Grif beantwoorde ik haar liefdesbetuigingen en verzette letterlijk bergen zand.

Van toen af bracht ik haar zeer regelmatig een bezoekje. Als ik haar zag, sloeg mijn hart een slag over en trilde ik over m'n hele lijf. Op een avond verleidde ze me sidderend en hevig zwenkend met de staart. Ik schuddekopte onbeheerst en posteerde me schuin in het water. Lijfje-krommend gebaarde ze me haar te volgen en zwom rechtlijnig naar het door haar gekozen hol. Ik volgde zwevend.
'Deze niet!' schuddekopte ik heftig. 'Ik kan nooit door die opening heen komen.'
'Dat lukt je wel.' Ze poetste onverstoorbaar een plaats op de zoldering schoon en 'kom je nog' beduidde ze met haar uitgestoken, kleine, witte legbuis.
Beneveld zwom ik door de smalle opening heen en zat prompt klem. Ik wrong me paniekerig achteruit, maar ze lonkte zo lieftallig dat ik me toch naar binnen perste. Nadat ik alle water uit mijn kieuwen had geblazen, floepte ik erdoorheen en belandde onzacht met mijn neus tegen de achterwand. Mijn wijfje negeerde dit pijnlijke moment en ging dicht boven de schoongemaakte plek zwemmen. Met haar genitaalpapil raakte ze de wand en hechtte, op de rug gekeerd, een serie eitjes aan de afzetplaats. Kopschuddend en met een rood kleurtje keek ik toe. Nu was het mijn beurt om, ondersteboven zwemmend, over de eitjes te strijken.

Na de bevruchting keek ik op een afstandje toe hoe ze er weer een rijtje bij produceerde. Het ritueel van afwisselen ging almaar door en we bleven tot in de vroege uurtjes stoeien. Toen was haar buikje plat en de voorraad eitjes uitgeput. Met hoofdpijn van de ettelijke kopstanden die ik had uitgevoerd (of was het het gevolg van mijn ongelukkige opwachting tegen de achterwand?) groef ik me naar buiten. Nogmaals de conventionele opening nemen was me net iets te veel. Mijn wijfje duwde het kuiltje weer vol zand en nam voldaan plaats onder het ovale legsel. Vanaf die nacht bewaakte ik consciëntieus het hol, terwijl zij almaar met haar borstvinnen wapperde om schoon water aan te voeren. Af en toe onderbrak ze deze arbeid, sabbelde de eieren af en plukte voorzichtig met dat lieve bekje een wit geworden, onbevrucht eitje uit de kinderkamer.

Vijf dagen later hingen er een heleboel jongen met een slijmdraad aan het plafond. Mijn vrouw maakte ze stuk voor stuk voorzichtig los en bracht ze samen op de bodem van de materniteit.
Op de negende dag na onze stoeinacht kwam ze trots naar buiten met onze schepping. Ik moest eerst driemaal ter plaatste ronddraaien, want ik geloofde mijn eigen ogen niet. Wat een grote massa was dat! Hadden we misschien daarom urenlang gestoeid?
Fier hield ze de jongen bijeen en leidde ze naar voedselrijke plekjes om er te 'grazen'. Ik voelde een drang om onvoorwaardelijk de moeder met haar jongen te beschermen. Een paar dagen later nam ook ik actief deel aan de verzorging. Ze leek me opgelucht, want ze was uitgeput. Ik spoorde haar aan om flink van het aangeboden voedsel te nemen, maar ze hield het bij een spaarzaam hapje. Tijdens de dag begeleidde ik de jongen steeds meer. Zij sliep nog enkel 's nachts bij hen.

Toen werd ze almaar stiller,at helemaal niet meer en werd uiteindelijk een schaduw van zichzelf. Op een avond vonden we haar dood naast ons hol. Nu moest ik helemaal alleen verder. De nacht baarde me problemen, want ik kon niet door de opening van de slaapplaats komen. Ja, u mag gerust opperen dat het me ooit eens is gelukt, maar als je opgewonden bent lukt veel. En ik wilde, de hoofdpijn in gedachte, niets forceren. Dus verzamelde ik de jongen naast de kokosnoot die tegen de zijwand in het aquarium stond. Zo waren ze aan twee kanten goed beschermd. Ik ging zacht bovenop hen liggen en tevreden soesden ze naar dromenland toe. Ikzelf beleefde een slapeloze nacht.
Mijn buikvinnen waren nu net zo rood als die van mijn vrouwtje en hadden eveneens een blauw randje gekregen. Als ik ze uitstak en in een schuine houding ging staan betekende dit dat het veilig was. Mijn kleintjes zwommen dan om me heen op zoek naar lekkere hapjes. Bij gevaar trok ik de buikvinnen tegen het lichaam en iedereen ging prompt op de bodem in dekking. Door hun schutkleur vielen de jongen vrijwel niet op, te meer daar ze zich helemaal niet bewogen.

Af en toe komt ook het vrouwtje even naar buitenNa enkele nachten wakend onder de blote hemel besefte ik dat het zo niet verder kon. In onze directe omgeving stonden twee kokosnoten, maar ik prefereerde degene die helemaal aan de andere zijde van het aquarium stond. Na het invallen van de schemering gingen we met zijn allen op weg. Na aankomst inspecteerde ik, voor alle zekerheid, wel driemaal ons nieuwe slaaphol. Je weet maar nooit; er mocht er eens één op de loer liggen. Het was de bedoeling dat mijn gezin mij in het hol volgde, maar de kleintjes begrepen me totaal verkeerd. Telkens als ik ze voorzwom, gingen zij in dekking. En als ik weer buitenkwam, maakten ze aanstalten me te volgen om even later weer doodstil op de bodem te gaan liggen. Dat kwam natuurlijk omdat mijn buikvinnen voor hen onzichtbaar werden als ik in de kokosnoot was en zij dachten dan aan gevaar.

Tijd voor uitleg was er echter niet. We waren al bij schemering vertrokken, het zou snel donker worden. Dus nam ik een aantal jongen voorzichtig in de bek en deponeerde ze in het veilige hol. Ik zwom af en aan en werkte me een breuk. Toen ik ongeveer de helft van de jongen had verplaatst, werd ik zenuwachtig. Telkens als ik uit de opening zwom om een nieuwe lading te halen zwiepte ik met mijn staart een aantal jongen weer naar buiten. Ze knipperden even tegen het schemerlicht en gingen dan unaniem in dekking. Op die manier kon ik wel de hele nacht aan de gang blijven en het kon zo donker worden.
Na een klein uurtje had ik alles toch voor elkaar en trok me tevreden en moe terug in het hol. Ik heb echt geboft dat de duisternis zo lang op zich heeft laten wachten (of was dat misschien geen toeval). Met een nachtverblijf voelde ik me snel fitter worden, recupereerde zienderogen en zag de toekomst zonnig tegemoet. Nu zwemmen de jongen, als ik me schuin naast de kokosnootopening opstel, gewillig naar bed. Ik klaar de klus zelfs in minder dan drie minuten. Daar ben ik zo fier op, dat ik het ritueel niet genoeg kan herhalen om nog betere tijden te scoren. Gisteren bracht ik ze maar liefst vijfmaal naar bed, voor het echt duister werd.

Van belagers heb ik niet veel last. Bij gevaar houd ik mijn adem in en stijg als een duiveltje uit een doosje naar de oppervlakte. Daar leg ik mij, met de kop naar beneden gericht, in het water en blijf als een helikopter ter plaatse hangen. Komt de vijand in beeld, dan schiet ik met één vloeiende rotvaart naar hem toe voor een pijnlijke klap. Daarna blijft hij wel een tijdje uit de buurt. Och, al bij al red ik het best.
Mijn jongen groeien voorspoedig en binnen een paar weken zullen ze hun eerste, zelfstandige pogingen doen in deze onderwaterwereld. En ik? Ik wil dan een tijdje uitblazen. Als ik dan de sappigste worm uitzoek en hem genietend verorber, zal ik denken: 'Veni, vidi, oefie!' Dat heb ik toch maar netjes klaargespeeld!

Auteur: 
Kristel Bongers
Fotografie: 
Eugène Bruins