Taeniacara candidi (Meyers, 1935)

Als je dwergcichliden verzorgt, dan is deze vis wel met recht een echte dwerg te noemen, want hij behoort tot een van de allerkleinsten. Met een lengte van het mannetje van ongeveer 6 cm valt het nog wel mee. Wat wel het meest opvalt, is het torpedovormige lichaam van deze spectaculaire dwergcichlide.

Taeniacara candidi, manTaeniacara candidi, man

De laatste jaren zie je deze vis wat vaker in de handel, maar meestal moet je wel bij de specialistische winkels zijn om ze te bemachtigen. De reden is dat ze niet zo vaak worden nagekweekt, waarbij de wildvangexemplaren dan ook nog maar zeer zelden worden aangeboden. Als ze wel leverbaar zijn, dan komen ze meestal uit Tsjechië.
Wat daar de reden voor is, ligt waarschijnlijk in het gegeven, dat ze erg moeilijk in leven te houden zijn, omdat ze gevoelig zijn voor de waterkwaliteit. Anders ligt dat bij de nakweek, omdat ik dat zelf ondervonden heb, toen ik ongeveer 25 jaar geleden een aantal wildvangexemplaren kocht. Het maximale resultaat was een eiafzetting, maar verder kwam het toen niet, ondanks het zeer zachte en zure water. Toen ik later weer probeerde te kweken met een ‘nakweek’ verliep dat niet eens zo problematisch.

Natuur

Het natuurlijke verspreidingsgebied van Taeniacara candidi is hoofdzakelijk de Rio Negro zowel in de middelste als de bovenstroom met al zijn zijrivieren alsook de meertjes, die ontstaan zodra het laagwater wordt. Echter zijn ook in de stromen bij Santarèm in de Rio Tapajos wildvangexemplaren gevangen en over de gebieden rond Tèfe is beschreven, dat ze ook daar worden gevangen. Het zal me dan ook niet verbazen, dat later zal blijken, dat deze vis in meer gebieden in helder (theekleurig) water gevonden zal worden.

Geslachtsverschillen

Vrouwtje zorgt voor de jongen en geeft door haar houding een signaal van dreigend gevaarVrouwtje zorgt voor de jongen en geeft door haar houding een signaal van dreigend gevaarHet vrouwtje is aanzienlijk kleiner dan de man en met 4 cm is ze dan ook al behoorlijk groot te noemen. Van de kleuren moet ze het niet hebben, want aan haar zijn de kleuren zwart en zilvergrijs toebedeeld met hooguit een paar metaalblauwe streepjes in de (ronde) staart met enkele rode vlekjes. Haar buikvinnetjes zijn korter dan van de man en hebben een rode kleur aan het uiteinde ervan.
Bij het mannetje is dat wel anders. Hij heeft zeer opvallend, meer rood gekleurde en lange buikvinnen, die wel tot voorbij de aarsvin kunnen reiken. Bovendien is hij met zijn ‘spadevormige’ staart een opvallende verschijning. Die staart is een goed kenmerk voor het geslachtsverschil, want doe is al op jonge leeftijd waar te nemen. Ook heeft hij een blauwmetalen gloed in de aarsvin en de rugvin is roder dan het vrouwtje. Die kleuren zijn afhankelijk van hun gemoedstoestand in meer of mindere mate aanwezig. Dat die gemoedstoestand afhankelijk is van de waterkwaliteit/samenstelling mag duidelijk zijn.

Verzorging

Taeniacara candidi is een vis voor liefhebbers, die wat meer aandacht aan hun vissen schenken. Met name zijn de waterkwaliteit én het voedselaanbod de pijlers, die ervoor moeten zorgen, dat ze het naar hun zin hebben in het aquarium.
Ik ben er geen voorstander van om bij nakweekexemplaren allerlei kunstgrepen met het water uit te voeren. Zolang je ze niet gaat kweken, dan is leidingwater tot 13 °DH met een pH tot 7,5 goed water om ze te houden. Wat ik altijd dé nummer 1 vind, is het voer: droog voer is een droge boterham voor ze (als ze het al opeten). Je moet dus er dus echt voor zorgen, dat je ze ‘huppelvoer’ aanbiedt. Dat wil zeggen: kleine Daphnia’s, Cyclops of Artemia’s. In dat geval zullen ze de mooiste kleuren ontwikkelen (caroteenrijk!) en hebben ze het prima naar hun zin.
Zo geldt dit ook voor de toestand van het aquarium: ‘draait’ de bak goed? Zien de planten er fris uit? En groeien ze? Zitten er stukken kienhout in de bak? Is de bodem bedekt met donker grind, gooi dan een paar eikenbladeren in je (speciaal)aquarium.

‘Moet je ze eigenlijk alleen houden in een speciaalbak?’ Dat is altijd een hele discussie. Om ze te kweken sowieso wél, maar doe je dit dan ook om het ze naar de zin te maken? Naar mijn mening kun je ze prima houden in een gezelschaps- of biotoopaquarium als je er dan maar rekening mee houdt, dat de medebewoners niet de baas worden in het aquarium: ze moeten niet groter worden of zijn! Als je er bijvoorbeeld maanvissen (natuurlijke medebewoners) bij in doet, dan mag u raden wie al die zorgvuldig opgekweekte Artemia’s opeten! Dat geldt ook voor andere Apistogramma- soorten. Ten eerste zijn die vaak groter, dus die vallen om die reden af. Je zou er dan wel kleinblijvende zalmpjes bij kunnen houden of Nannostomus-soorten. Onze Taeniacara’s zijn geen helden. Het tegenovergestelde is het geval, want ze zijn juist schuw. In dit geval zijn medebewoners dan ook juist aan te raden, want die zwemmen dan vrolijk door het aquarium en ‘trekken’ onze dwergen mee.

Het is ook afhankelijk van de grootte van de bak: in een driemeteraquarium is het natuurlijk een heel ander verhaal. Wel moet je er altijd voor zorgen om goede verstopplaatsen voor ze te creëren; ook al om hun ‘heldendom’ niet te veel op de proef te stellen. In een groot aquarium kun je meer vrouwtjes bij een man doen; in de natuur doen de mannen ook aan haremvorming. Omdat ik van rustige bakken houd, ben ik geen voorstander om dit na te doen, want de mannen zijn dan constant bezig met baltsen tegen de vrouwtjes. Dat is niet zo’n ramp, maar die vrouwen gaan ook nog tegen elkaar tekeer om hun territorium te vormen. Dat gebeurt dan in een bak van 1 meter of kleiner. Bij de ‘extremere’ bakken zou het mee kunnen vallen, maar in een kweekbak is het dus af te raden.

Kweek

Zoals ik al eerder schreef, heeft deze vis de naam een ‘zachtwatervis’ te zijn, maar bij de nakweekexemplaren valt het erg mee. Mocht je met wildvangexemplaren gaan kweken, zorg dan voor zacht en zuur water en begin niet te extreem. Ze zetten vaak eitjes af om te beginnen in een pH van 6 en een geleidbaarheid van 100 µSiemens/cm. Mochten de eitjes keer op keer opgegeten worden, dan kun je het water zuurder en zachter maken. In de natuur zwemmen ze in water met een pH van 4,5 en een µSiemens/cm van maximaal 10! Dat is dus bijna niet te doen, want als je al een µSiemens/cm van 0 zou kunnen krijgen en je vis gaat erin (als ze het al overleven), dan zit je na twee dagen al op een µSiemens/cm van 20 vanwege allerlei vervuilingen door het voeren. Ik gebruikte een bakje van ongeveer 60 x 35 x 35 cm.

De eerste keer kon ik een wildvangkoppel kopen onder de naam Apistogramma spec. (‘wist die handelaar veel…’). We konden voor een schappelijk prijsje een aantal koppels kopen. Opvallend was bij deze dieren, dat de mannen een gedeelte van hun staarten ‘kwijt’ waren, maar die groeiden gelukkig wel snel weer aan. Al enkele maanden later begon het vrouwtje een dikkere buik te krijgen en een paar dagen later verscheen er een prachtig legsel aan de binnenkant van een bloempot, waarna ze de eitjes prima bewaakte. Het bewaaieren van die eitjes ging op een heel speciale manier: ze deed dat namelijk met haar achterlichaam. De kop bleef stilstaan en met haar achterlichaam bewoog ze zich op zeer korte afstand langs de eitjes. Die hingen aan draadjes en bewogen heftig heen en weer, wat een prachtig gezicht opleverde. Deze procedure herhaalde zich enkele malen per minuut, heel apart! Wat ook apart was, was dat die eitjes per dag in aantal steeds minder werden, want na twee dagen waren alle eieren verdwenen. Na een paar keer ander water in de bak gedaan te hebben werd het water steeds zachter en zuurder, maar wat ik ook deed, het mocht niet baten. Het mannetje was onvruchtbaar, hoe kon dit? Ik zal het nooit weten. Het enige, wat ik kon doen, was om wat foto’s te maken, want dan had ik nog wat voor mijn lezingen.
Om een lang verhaal kort te maken, het lukte niet. Gelukkig kon ik een paar jaar later de hand leggen op een ander nakweekkoppel. Die zagen er wat minder fel gekleurd uit, maar desondanks toch nog wel mooi gekleurd.

Weer werden er eitjes afgezet en toen was het wel meteen de eerste keer raak. De eitjes waren na tweeëneenhalve dag verdwenen en de jongen hingen keurig verstopt ergens in een hoekje van het aquarium aan een stukje kienhout. De broedzorg werd gedaan door het vrouwtje, waarbij het mannetje uit het territorium werd verdreven door het vrouwtje.

Na vijf dagen kwam het vrouwtje met haar jongen tevoorschijn en terwijl ze door de bak zwom, verdedigde ze haar jongen heftig. Ook dat verdedigen ging weer net zoals het vrouwtje de eitjes bewaaierde: ze stond met haar kop stil en zodra er gevaar was, bewoog ze haar achterlichaam naar boven en beneden, waarna de jongen tussen het grind wegzakten. Ze waren dan ook nog nauwelijks meer waar te nemen, maar het was desondanks een fantastisch gezicht. Wat minder was het om er foto’s van te maken, want zodra ik met de camera in de buurt kwam, waren de jongen weg. Dat betekende geduldig afwachten en kijken wanneer ze weer tevoorschijn kwamen.

Omdat de man waarschijnlijk weinig te verdedigen had in zijn territorium begon hij zich met de broedzorg te bemoeien. Meestal lukt het dan niet meer om jongen over te houden, omdat de vrouw dat niet accepteert en fel reageert. Gelukkig was dat nu niet het geval en ging alles goed, zodat ik op deze manier toch een veertigtal jongen kon overhouden. Zodra ze gingen vrijzwemmen, kon ik ze pas uitgekomen Artemia’s voeren. Dat deed ik dan een viertal keren per dag. Het gevolg was dan ook, dat ze erg hard groeiden. De jongen waren daarom vier maanden later in staat om een legsel te produceren. Als je wilt, dan kun je dus in korte tijd veel Taeniacara candidi kweken.

Gerelateerde artikelen

NBAT Sponsoren

0
    0
    Winkelwagen
    Winkelwagen is leegTerug naar webshop