Xiphophorus andersi

De platy's en zwaarddragers behoren tot het genus Xiphophorus Heckel, 1848 en zijn afkomstig uit Latijns-Amerika. De meest noordelijke soorten komen voor in het noorden van Mexico en de meest zuidelijke in Guatemala. Een aantal soorten, zoals de groene zwaarddrager Xiphophorus helleri en de even bekende platy Xiphophorus maculatus komt ook in Latijns-Amerika reeds in een groot gebied voor.

Xiphophorus andersi (mannelijk) uit de Rio Atoyac, bij de bronEnkele andere soorten hebben slechts een klein verspreidingsgebied, dat zich kan beperken tot een enkele bron of klein stroomgebied. Dit aspect zorgt ervoor, dat het voortbestaan van deze soorten in de natuur snel in gevaar kan komen. Een verstoring van zo'n gebied kan er reeds voor zorgen, dat de soort wordt gedecimeerd of zelfs uitsterft. Eén van de soorten met een dergelijk klein verspreidingsgebied is de Atoyac-zwaardplaty Xiphophorus andersi, die alleen voorkomt in het stroomgebied rondom de bron van Rio Atoyac.

Beschrijving

Xiphophorus andersi werd in 1979 door Meyer en Schartl beschreven (typevindplaats: Finca St. Anita, Chico, Vera Cruz, Mexico.) en is genoemd naar prof. dr F. Anders, die veel onderzoek naar kanker heeft gedaan, waarbij hij gebruikmaakte van vissen uit het genus Xiphophorus. Het opvallendste kenmerk van de soort is het korte staartzwaard van de mannetjes. Net als Xiphophorus xiphidium heeft ook deze platy dit opvallende kenmerk, dat vooral van zwaarddragers bekend is. De mannetjes van de Atoyac-zwaardplaty worden ongeveer 5 cm lang, de vrouwtjes kunnen een lengte van 7,5 cm bereiken. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een bruine kleur met een lichte buikzijde. Van de dominante mannetjes kunnen de vinnen een gele kleur hebben. Beide geslachten hebben twee donkere bandjes in de rugvin. De vrouwtjes hebben een opvallende zwarte drachtigheidsvlek.

Van de mannetjes zijn twee vormen bekend. De eerste vorm heeft een lengte van 5 cm en net als de vrouwtjes een zwarte vlek op de buikzijde (dit wordt ook wel pseudo-drachtigheidsvlek genoemd). De andere vorm blijft kleiner en mist deze zwarte tekening (Kallman, 1989). De lengte van de mannetjes van levendbarende tandkarpers wordt vooral bepaald door de leeftijd, waarop ze geslachtsrijp zijn. Hierna zullen ze nauwelijks meer groeien. De mannetjes met de pseudo-drachtigheidsvlek zijn op latere leeftijd geslachtsrijp dan de mannen zonder dit kenmerk en blijven dus langer doorgroeien. Kallman toonde aan dat deze kenmerken via een allel op het Y-chromosoom vererven.
Gordon (1997) schrijft dat de drachtigheidsvlek bij de vrouwtjes van levendbarende tandkarpers tijdens de zwangerschap in grootte toeneemt. Langhammer (1997) vermoedt op basis hiervan dat de pseudo-drachtigheidsvlek bij mannetjes een signaalfunctie voor andere mannetjes zou kunnen hebben. Mannetjes met een dergelijke, opvallende tekening zouden het andere mannetjes duidelijk maken dat het zinloos is om energie te verspelen, omdat ze reeds bevrucht zouden zijn. In hoeverre deze theorie klopt, weet ik niet. Het zou ook best zo kunnen zijn, dat een grote, duidelijke drachtigheidsvlek door de vrouwtjes wordt gezien als een teken van vitaliteit. Mogelijk dat verder onderzoek hier in de toekomst meer informatie over zal verschaffen.

Biotoop

Xiphophorus andersi (vrouwelijk) uit de Rio Atoyac, bij de bronDe Atoyac-zwaardplaty heeft een heel beperkt verspreidingsgebeid: de soort wordt slechts aangetroffen in de bovenloop van de Rio Atoyac in de deelstaat Vera Cruz, Mexico. Tijdens de reis, die ik in 1996 met André Schonewille, Liekele Sijstermans en Tim Bollick naar Mexico maakte, stond een bezoek aan dit gebied ook op de planning. Nadat we eenmaal bij de Rio Atoyac met zijn fraaie zwaarddragers waren aangekomen, gingen we op zoek naar de bron. Het vinden van de juiste plek bleek niet eenvoudig.
De bron ligt in een vallei, waarin veel suikerriet wordt verbouwd. De hellingen rondom de vallei zijn begroeid met bomen. Zodra we de indruk hadden dat ergens water kon zijn, stopten we met onze VW-bus, maar het enige dat we vonden was af en toe een restwatertje, waarin Pseudoxiphophorus bimaculatus voorkwam. Het grootste deel was echter droog. Navraag bij de lokale bevolking leverde in het begin weinig zinnige informatie op. Pas toen een jongen aanbood om voor ons uit naar de bron te fietsen, vonden we die. Aan de rand van de vallei tegen de begroeiing aan is de bron. Aangezien het al vrij laat begon te worden, namen Tim en ik meteen een duik in het koude water op zoek naar de Atoyac-zwaardplaty. Deze koude duik had echter niet het gewenste resultaat en we concentreerden ons dan ook al snel op één van de stroompjes, die vanuit de bron liepen. Het bleek niet eenvoudig te zijn om vis te vangen tussen de wirwar van overhangende bomen en in het water aanwezige takken en stronken. Met veel moeite vingen we enkele groene zwaarddragers, cichliden en Astyanax sp. Van de gezochte platy ontbrak echter elk spoor.
Pas geruime tijd later vingen we een volwassen vrouwtje. Verder verwijderd van de bron lukte het ons om meer volwassen, hoogdrachtige vrouwtjes en enkele zeer fraaie mannetjes te vangen. In totaal namen we tien vrouwtjes en drie mannetjes mee. Helaas hadden we alleen volwassen dieren kunnen vangen. Onze voorkeur ging uit naar halfwas, omdat deze beter te vervoeren zijn, maar aangezien we deze niet hadden gevonden waren we genoodzaakt de grote vissen mee te nemen. Van Derek Lambert hoorde ik later dat verder stroomafwaarts grote scholen van X. andersi voorkomen en dat zich daar ook jongere dieren bevinden.

Pseudoxiphophorus bimaculatus uit de Rio Otapol, Mexico

De soort is in de natuur dan ook niet bedreigd. Door het kleine verspreidingsgebied en de grote hoeveelheden water nodig voor het verbouwen van suikkerriet loopt ze echter wel risico. Hoewel de zo moeizaam gevangen visjes met uiterste zorg werden verpakt en vervoerd, overleefde een aantal de overtocht niet. Enkele vrouwtjes hadden onderweg echter jongen geworpen en deze hadden beduidend minder moeite met de reis. Twee weken later konden we in Nederland vier volwassen vrouwen, twee mannen en zo'n twintig jongen in een speciaal vrijgehouden aquarium plaatsen.

Verzorgong en kweek

Met het houden en verzorgen van de Atoyac-zwaardplaty had ik reeds enkele jaren ervaring, voordat ik de door mijzelf gevangen vissen ging houden. Op een bijeenkomst in Duitsland had ik een keer voor een luttel bedrag een zak vol van de soort gekocht. Deze waren in een goed beplant aquarium goed te houden. Het enige probleem dat ik toen had, was dat er op een gegeven moment steeds meer vissen met een zwemblaasprobleem kwamen. Dit uitte zich in het naar de bodem zakken als er niet gezwommen werd. Een gedrag, dat ook waarneembaar is bij kraakbeenvissen, zoals haaien, die geen zwemblaas hebben. Dit probleem weet ik aan inteelt in deze oude aquariumstam.

De nieuwe import deed het in het aquarium meteen goed. Het zijn echte alleseters, die het op een afwisselend menu, waarvan droogvoer best een onderdeel kan uitmaken, goed doen. Net als bij de andere soorten zwaarddragers en platy's houden de pasgeboren jongen zich op in de onderste of middelste waterlagen en wanneer hier voldoende schuilplaatsen zijn, blijft er altijd een aantal over. De jongen zijn door hun hoekige rugvin goed te onderscheiden van andere soorten levendbarende tandkarpers.
De mannetjes voeren af en toe een balts uit, waarbij ze met gekromde rug en gespreide vinnen voor het vrouwtje heen en weer zwemmen. Verder is de Atoyac zwaardplaty een rustige soort, die genoegen neemt met een aquarium vanaf 60 centimeter lengte. Hoewel er in de natuur geen hybriden tussen deze soort en de sympatrisch voorkomende zwaarddrager bekend zijn, is het niet verstandig om de vis samen te houden met andere soorten uit het genus Xiphophorus. De kans op bastaarden is dan zeker aanwezig. Het kruisen van soorten kan weliswaar interessante kweekvormen opleveren, maar de meeste daarvan voegen niets toe aan de reeds aanwezige soorten en zullen alleen tot misverstanden leiden.

De zwaarddrager Xiphophorus helleri uit de Rio Atoyac, bij de bronZoals hierboven reeds aangegeven bestaan er twee mannelijke vormen, een grote met een pseudo-drachtigheidsvlek en een kleine zonder dit kenmerk. De kleine mannetjes zijn sneller geslachtsrijp dan de grote en kunnen dus ook als eerste de aanwezige vrouwtjes bevruchten. Gevolg hiervan is, dat de fraaiere grotere mannetjes, wanneer er aan dit aspect geen aandacht wordt geschonken, op een gegeven moment uit de aquariumstam zullen zijn verdwenen. In mijn eigen stam probeer ik het aantal kleine mannetjes te beperken.
Aangezien ik echter niet wil dat dit specifieke kenmerk uit mijn stam verdwijnt, laat ik meestal één of twee van deze mannetjes in de groep zitten. De grotere mannen zijn veel dominanter dan de kleinere en verjagen deze regelmatig.
Om grotere exemplaren te krijgen is het beter de temperatuur niet het gehele jaar constant te houden. Op dit moment houd ik deze soort 's winters in één van de aquaria met een lagere temperatuur. De temperatuur daalt hier als het erg koud is af en toe tot 15° C en komt vaak niet boven de 20° C. In de zomer kan de temperatuur weer oplopen tot 26° C. Hoewel de vissen bij een lage temperatuur nauwelijks groeien, krijg ik op deze wijze wel grote en sterke dieren. De soort lijkt gevoelig voor een verslechtering van de waterkwaliteit en ik ververs dan ook wekelijks een groot deel van het water.
Het probleem van vissen met een slecht functionerende zwemblaas blijkt zich ook bij de eerste nakweek van de wildvangdieren af en toe voor te doen. Door de vissen met deze aandoening zo snel mogelijk te verwijderen, hoop ik deze afwijking buiten mijn kweekgroep te houden. Hoewel op het eerste gezicht niet bijzonder spectaculair gekleurd is deze Atoyac-zwaardplaty de moeite van het houden waard. Zeker voor aquaristen, die een bak hebben, waar de temperatuur niet altijd kunstmatig hoog wordt gehouden, is het een geschikte soort.
 

Auteur: 
C.M. de Jong
Fotografie: 
J.C. Merino
Literatuur: 
Meyer M.K. & M. Schartl (1979): Eine neue Xiphophorus-Art aus Vera Cruz, Mexiko. Senckenbergiana biol. Vol. 60: 147 - 151
Langhammer, J.K. (1997): Additional thought on gravid spots Livebearers vol. 149: 26 - 27
Gordon, M. (1997): What does the "gravid spot" mean? Livebearers vol. 149: 24 - 26
Lambert, D. & P. Lambert (1995): Platies and swordtails. Blandford. ISBN 0 7137 2368 8
Kalman, K.D. (1989): Genetic control of size at maturity in Xiphophorus. Pag. 163 - 184 in: Ecology & Evolution of Livebearing Fish, Ed. Meffe, G.K & F.S. Snelson. Prenticehall.