Schijfanemonen | Nederlandse Bond Aqua Terra

Schijfanemonen

U maakt kennis met de veelal prachtig gekleurde, plat groeiende en niet altijd geheel ongevaarlijke schijfanemonen.

Kolonies van schijfanemonen van de geslachten Discosoma en Ricordea.

Koraalriffen

De koraalriffen in tropische zeeën vertegenwoordigen een begrensd en uniek leefgebied, waarin ontelbare levende wezens zich iedere dag opnieuw moeten handhaven. De niet aflatende strijd om het bestaan dient slechts het voortbestaan van de soorten in de nimmer eindigende evolutie. In een koraalrif is geen plekje te vinden dat niet met levende wezens bezet is. Elk plekje, al is het nog zo onbeduidend, biedt plaats en ruimte aan één of zelfs meer soorten. Daardoor is het niet verrassend, dat de geslachten binnen een familie er zo verschillend uitzien en dusdanig uiteenlopen in leefwijze, dat het vaak moeilijk is de juiste systematische indeling op grond van verwantschappen helder te krijgen. Dit geldt in het bijzonder voor ongewervelde dieren.

Vlak en rond

Het is daarentegen niet zo erg moeilijk een kenmerk te vinden, dat alle schijfanemonen gemeenschappelijk hebben: ze groeien plat en schijfvormig.
Systematisch worden de schijfanemonen ingedeeld in de onderklasse Hexacorallia (Frische 1998). Deze indeling in de Hexacorallia, zesstralige zeeanemonen, kan beslist in veel gevallen - zoals bij zeeanemonen, korstanemonen, schijfanemonen of cilinderrozen om maar een paar voorbeelden te noemen - verwarring teweegbrengen. Maar het aantal tentakels is daadwerkelijk zes of een veelvoud van zes. Men kan zich daar zelf van overtuigen door bijvoorbeeld de armen van een zeeanemoon te tellen. Een ander kenmerk is de darmholte die door zes, twaalf of een veelvoud van twaalf vliezen in delen verdeeld is (Schuhmacher & Hinterkircher 1996).

 

De soorten die vroeger in het geslacht Actinodiscus werden ingedeeld worden tegenwoordig tot het geslacht Discosoma gerekend. In dit geslacht bevinden zich de mooist gekleurde vertegenwoordigers. Ze zijn vooral geschikt om zich op licht beschaduwde plaatsen in een bonte mengeling van verschillende kleuren te vestigen.

Schijfanemonen behoren tot de orde Corallimorpharia, die verdeeld is in vier families: Discosomatidae, Corallimorphidae, Sideractidae en Ricordeidae (Fossa & Nilsen 1995). Alleen de families Discosomatidae en Ricordeidae zijn aquaristisch interessant. Terwijl de laatstgenoemde familie uitsluitend bestaat uit het geslacht Ricordea Duchassaing & Michelotti 1860, is de familie Discosomatidae in vier geslachten verdeeld. Dat zijn Amplexidiscus Dunn & Hammer 1980 (waarvan de soorten voorheen tot het geslacht Rhodactis gerekend werden), Discosoma Rüppel & Leuckhart 1828 (dat ook de soorten omvat, die voorheen tot het geslacht Actinodiscus gerekend werden), Metarhodactis Carlgren 1860 (waarvan de soorten voorheen tot het geslacht Rhodactis gerekend werden) en Rhodactis Milne-Edwards & Haine 1851. Deze taxonomische indeling is gebaseerd op de werken van Baensch & Debelius (1992) en Fossa & Nilsen (1995). Alle vier genoemde geslachten en de daartoe behorende soorten zijn in de meeste gevallen ook voor leken gemakkelijk uit elkaar te houden.
Schijfanemonen zonder of met zeer korte tentakels behoren tot het geslacht Discosoma. Schijfanemonen met tentakels, die klein blijven, behoren tot het geslacht Ricordea. Grote schijfanemonen met verschillende mondopeningen behoren tot het geslacht Metarhodactis. Olifantsoren (reusachtig grote schijfanemonen) behoren tot het geslacht Amplexidiscus. Moeilijker is het een kenmerk te geven voor de soorten van het geslacht Rhodactis. In de meeste gevallen gaat het om grotere schijven (vrijwel) geheel zonder tentakels. De soorten van het geslacht Discosoma zijn vrijwel allemaal prachtig van kleur, die van de andere geslachten zien er bruin tot grijs uit.

De tentakeldragende soorten van het geslacht Discosoma zijn weinig kleurrijk, daarentegen zijn er soms exemplaren met een zeer interessant patroon.

Vermeerdering

Zich voortplanten doen de schijfanemonen ook in de natuur hoofdzakelijk ongeslachtelijk (Frische 1999). Daartoe wordt een deel van de voetschijf omgeslagen en langzaam van de rest gescheiden. Een proces, dat enkele dagen in beslag neemt. Op deze wijze ontstaat een nieuw individu in de kolonie. Vanzelfsprekend zijn alle zo ontstane dieren klonen: exemplaren met exact dezelfde erfelijke eigenschappen. Vroeg of laat komt er een moment, dat elk stukje substraat is ingenomen door leden van de kolonie en dat er geen nieuwe meer bij kunnen. In zo'n geval is het mogelijk dat sommige schijfanemonen zich losmaken en zich met de stroming mee laten voeren om zich op een andere plaats weer vast te hechten. Dat kan dan het begin van een nieuwe kolonie worden.

Strijd om het bestaan

Hoewel schijfanemonen tot de sessiele ongewervelden gerekend worden, zijn ze toch - weliswaar zeer beperkt - in staat zich voort te bewegen. Dat kan waargenomen worden als de oorspronkelijke standplaats door de een of andere oorzaak in kwaliteit afneemt. Zijn een paar centimeter verder de omstandigheden wel onveranderd, dan wandelt de schijfanemoon eenvoudig daarheen. Zo'n verslechtering is bijvoorbeeld dat de standplaats te klein wordt voor het groeiende dier, dat een steen de stroming nadelig beïnvloedt of dat door ruimtegebrek het leven van de schijfanemoon in gevaar komt. Schijfanemonen bezitten namelijk werkzaam netelgif (Mebs 1989). De gifstof wordt geleidelijk ingezet als het aantal van de schijfanemonenkolonie te groot dreigt te worden en kan zo langzamerhand de dieren nadelig beïnvloeden. Aanvankelijk lijkt het alsof koralen de nabijheid van schijfanemonen goed verdragen, maar als het aantal schijfanemonen in een kolonie drastisch toegenomen is, worden de koralen door de schijfanemonen steeds ernstiger in hun groei geremd en zullen uiteindelijk totaal verkommeren. Het hierdoor vrijgekomen substraat zal door de schijfanemonen weer snel worden ingenomen. Zoals vermeld, werkt het gif niet door onderlinge aanraking, maar door verspreiding via het zeewater. Men vermoedt, dat het gif op deze manier niet de lichaamscellen, maar de zoöxanthellen aantast (Frische & Finck 2003). Het voordeel van deze gifstof is, dat de hoog opgroeiende bloemdieren aldus niet de kans krijgen te veel licht weg te nemen voor de plat groeiende schijfanemonen. Naast de mogelijkheid om zulke gifstoffen aan het water af te geven bezitten de plat groeiende schoteltjes bovendien een gif, waarvan de werking bij aanraking effectief wordt. Vooral bij sommige steenkoralen kan men na een paar dagen al blekere vlekjes op de aanrakingspunten herkennen. Of de schijfanemoon dit gif afscheidt of dat bacteriën hierbij een rol spelen, zoals bij veel korstanemonen het geval is, kan ik op dit moment niet zeggen.

Een schijfanemoon van het geslacht Discosoma of Ricordea? Bij enige schijfanemonen kan de aquarist er niet zeker van zijn om welk geslacht het gaat. Van het geslacht 'Metarhodactis' zijn het vooral de gele soorten die gevoelig in de verzorging zijn. De groenachtige soorten uit het geslacht 'Metarhodactis' zijn daarentegen prima in het aquarium te verzorgen als het milieu goed is.

Als de aquarist de werking van dit soort gifstoffen in zelfs geringe concentraties in gedachten houdt, is het niet verwonderlijk, dat het totale watermilieu van een aquarium snel kan veranderen als een kolonie schijfanemonen succesvol groeit. Het zal betekenen dat gevoeligere soorten als Xenia, steenkoralen en ook verschillende soorten van het geslacht Sinularia op den duur nauwelijks meer met succes gehouden kunnen worden.
Dat de groeiremming van andere bloemdieren vanuit het standpunt van de schijfanemonen noodzakelijk is, bewijst het feit dat ook schijfanemonen een belangrijk deel van hun voedselbehoefte dekken met de fotosyntheseproducten van de ingebouwde zoöxanthellen. Soorten van het geslacht Ricordea bijvoorbeeld hebben naar mijn ervaring meer licht nodig dan veel soorten uit het geslacht Discosoma. Lichtgebrek leidt ertoe dat schijfanemonen zich naar boven gaan strekken. De zo ontstane vorm doet onmiskenbaar aan paddestoelen denken en daar komt de bijnaam 'mushroom' (Frische 2001) vandaan. Bij aanhoudend weinig lichtgebrek worden de schijfanemonen bleker. Later worden ze wit om ten slotte geheel te verdwijnen.

Verzorging

Omdat elk geslacht uit de families Discosomatidae en Ricordeidae zijn eigen kenmerken heeft, worden hierna de vier voor de zeeaquaristiek interessante geslachten achtereenvolgens behandeld.

Discosoma

Voorkeurslocatie
Stroming: Zwak of tijdelijk matig, in ieder geval nooit lang aanhoudend sterk.
Licht: Bij het gebruik van HQI-lampen kan men het beste de kolonies schijfanemonen zijdelings beschijnen. Dan zullen ze hun kleur behouden. Bij het gebruik van tl-buizen in de kleuren 11, 21 of 72 (Osram) of de nieuwe t5-technologie kan men de kolonies het beste in het volle licht plaatsen.
Voeding: Directe voedselopname komt niet voor. Voedsel wordt verkregen met hulp van de in het weefsel ingebouwde zoöxanthellen, die fotosynthese vertonen. Aanvullend worden opgeloste voedingszouten uit het water opgenomen.
Gezelschap: Een duurzame samenleving met steenkoralen, Xeniidae, softkoralen en gorgonen is zonder een overdreven grote ruimte praktisch niet mogelijk. Men moet bedenken, dat veel schijfanemonen het watermilieu in hun eigen voordeel veranderen en daardoor behoorlijke aantallen andere koraalsoorten kunnen laten verkommeren. Een gezelschap buiskoralen (Stoloniferae), Sarcophyton- en Cladiella-soorten geeft daarentegen naar mijn ervaring geen enkel probleem. Hetzelfde geldt voor zeeanemonen en korstanemonen.

Vermeerdering

Ongeslachtelijk door het afsnoeren van een deel van de voetschijf.

Bijzonderheden

De soorten die vroeger zelfstandig in het geslacht Actinodiscus werden ingedeeld, tonen hun mooiste kleuren als relatief weinig licht de kolonie beschijnt. Te sterk licht zorgt er al gauw voor, dat de schijfanemonen bruin worden, hetgeen terug te voeren is op de ingebouwde zoöxanthellen. Veel kleuren komen pas tot uiting als zuiver blauw licht is ingeschakeld met een hoge Kelvin-waarde: meer dan 10.000°. Dan gaat het om fluorescerende kleuren.
Toch moet er gewaarschuwd worden voor belichting met uitsluitend blauw licht, omdat de dieren dan op den duur zullen verbleken en uiteindelijk wit worden door het verlies van zoöxanthellen.
De soorten met tentakels geven de voorkeur aan een lichte standplaats. Actieve voedselopname heb ik niet kunnen waarnemen.

De tot het geslacht Ricordea behorende soorten kunnen gemakkelijk worden geïdentificeerd door de op blaasjes of druiven gelijkende uiteinden van de tentakels. Helaas zijn er ook enige Discosoma-soorten met gelijke tentakelvormen beschreven. Soorten uit het geslacht Rhodactis zijn in hun verzorging gelijk aan het olifantsoor. Amplexidiscus-soorten (olifantsoren) zijn aan de tentakelloze ring op het schijfoppervlak te herkennen.

Metarhodactis

Voorkeurslocatie
Stroming: zwak, soms matig, in geen geval langdurig sterk. Het is gunstig als de stroming door een kolonie eerst wordt afgezwakt door een obstakel.
Licht: Bij het gebruik van HQI-lampen is het aan te raden, anders dan bij Discosoma, de kolonie in het volle licht te plaatsen. Hier groeien de soorten snel tot prachtige kolonies uit. Bij gebruik van tl-buizen (t8 of t5) dient men een standplaats zo dicht mogelijk bij de buizen te kiezen. Ze zullen dan echter langzamer groeien en diverse verschillend gekleurde soorten zullen in de loop van de verzorging eenzelfde bruine kleur ontwikkelen.
Voeding: Een directe opname van voedseldeeltjes heb ik niet kunnen waarnemen. In plaats daarvan voeden ze zich met de fotosyntheseproducten van de ingebouwde zoöxanthellen. Aanvullend worden opgeloste zouten uit het water opgenomen.
Gezelschap: Een gecombineerde verzorging met steenkoralen, Xeniidae, softkoralen en gorgonen is problematisch als niet een redelijke afstand in acht genomen wordt. Ook dient men er rekening mee te houden, dat veel schijfanemonen het watermilieu in hun eigen voordeel veranderen en daarbij andere koraalsoorten nadelig beïnvloeden. Het gezelschap van Stoloniferae, Sarcophyton- en Cladiella-soorten, anemonen en korstanemonen geeft daarentegen geen problemen.

Vermeerdering

Geschiedt spontaan, ongeslachtelijk, waarbij een deel van de voetschijf uitgestulpt en afgesnoerd wordt.

Bijzonderheden

Bij sommige soorten zijn zonder moeite meer mondschijven te herkennen. De laatste tijd worden deze steeds vaker geïmporteerd, waarbij de mooiste soorten geel van kleur zijn. Helaas blijken dit ook de gevoeligste soorten van het geslacht te zijn. Interessant dat deze opvallende schijfanemonen in iets oudere boeken in het geheel niet opgenomen zijn. Het bleek moeilijk om de soorten op grond van morfologische kenmerken bij het juiste geslacht in te delen. Andere soorten in dit geslacht kunnen gemakkelijk met olifantsoren verwisseld worden. Ten slotte vermeld ik dat witte soorten te weinig licht hebben ontvangen en bijna dood zijn. Die dient men dus niet te kopen.

 

 
De verschillende fasen van de kogelvorming van een olifantsoor.

Amplexidiscus

Voorkeurslocatie
Stroming: Zwak, in geen geval zo sterk dat de randen zich naar binnen welven.
Licht: Bij te sterk licht blijken olifantsoren te verpieteren. Daarom moet HQI-licht hoogstens zijdelings worden toegepast. Bij het gebruik van tl-buizen gedijen olifantsoren goed. Fossa & Nilsen (1995) adviseren een sterke belichting.
Voeding: Deze soorten moeten gevoederd worden met klein voedsel, als bijvoorbeeld Mysis, Artemia, krill of ander diepvriesvoedsel. Ook grotere brokjes mosselvlees en vis kunnen worden verteerd. Vaak wordt beweetd, dat olifantsoren vis eten. Vooralsnog heb ik dat niet kunnen waarnemen, wat natuurlijk geen bewijs is, dat het niet voorkomt. Misschien heeft het te maken met het feit, dat mijn dieren goed gevoederd worden. Als aanvulling wordt een deel van de voedselbehoefte gedekt met de fotosynthese van de endosymbiontische zoöxanthellen.
Gezelschap: Gemeenschappelijke verzorging met andere koralen geeft naar mijn ervaring geen problemen.

Vermeerdering

Ongeslachtelijk door afsnoering van een deel van de voet. Een andere mogelijkheid is dat een olifantsoor zich dwars door de mondschijf in twee identieke overlangse helften verdeelt.

Bijzonderheden

Nog een opmerking over het eetgedrag van olifantsoren. Telkens weer wordt beweerd, dat olifantsoren kleinere vissen vangen en verteren. Waarschijnlijk is dat ook waar en reeds meermalen waargenomen. Toch is het naar mijn idee waarschijnlijk, dat het hierbij steeds gaat om vissen, die toch al niet helemaal niet helemaal gezond waren of door een stresssituatie in een olifantsoor eindigden.
Door lichtgebrek en een te sterke stroming worden de soorten van het geslacht Amplexidiscus steeds kleiner tot ze zich van het substraat losmaken en doodgaan. Ik heb ook kunnen waarnemen, dat nitraatarm water de groei van olifantsoren afremt. Ook hier kon ik vaststellen dat de kolonie, ondanks optimale voedering, langzamerhand steeds kleiner werd en ten slotte verdween. Daarom besluit ik met de conclusie, dat verzorging nauwelijks mogelijk is in een aquarium, dat overheerst wordt door steenkoralen.
Omdat voor de soorten van het geslacht Rhodactis dezelfde voorwaarden gelden als voor die van het geslacht Amplexidiscus, heb ik daarvoor geen aparte beschrijving opgenomen.

Ricordea

Dat soorten van het geslacht Amplexidiscus voornamelijk zieke vissen buit maken toont deze foto. De schijfanemoon is veel te langzaam om Pomacentrus alleni in te sluiten. Kort voor het sluiten van de kogel komt het rifbaarsje weer in vrijheid.Voorkeurslocatie
Stroming: In het algemeen liefst wat sterkere stroming, echter niet direct uit de uitstromer van een pomp, maar bijvoorbeeld onderbroken door een obstakel.
Licht: Gedijen uitstekend bij gebruik van HQI-lampen en plaatsing in het volle licht. Gebruik van tl-buizen leidt er vaak toe, dat de iriserende kleuren plaatsmaken voor een egaal bruine kleur.
Voeding: Er zijn meldingen van een actieve voedselopname. Brokjes ter grootte van Mysis worden gevangen en verteerd. Overwegend echter wordt de voedselbehoefte opgelost met hulp van de fotosynthese van de ingebouwde zoöxanthellen. In het water opgeloste voedingszouten voorkomen tekorten aan bepaalde mineralen. Hogere nitraatconcentraties, tot zelfs 20 mg/l, zijn bevorderlijk voor de groei van de kolonie.
Gezelschap: Deze dieren dienen veel ruimte te krijgen en direct contact met andere soorten moet vermeden worden. De snelle groei remt de groei van andere koraalsoorten af.

Vermeerdering

De aquarist moet geduld hebben, omdat hij zelf geen enkele invloed op de vermeerdering van de dieren kan uitoefenen. Deze verloopt ongeslachtelijk door afsnoering van een deel van de voet.

Bijzonderheden

Door een goede belichting groeien veel soorten van dit geslacht zo snel, dat ze een plaag kunnen worden. Zelfs rigoureus uitdunnen geeft niet altijd het gewenste effect, doordat zelfs kleine stukjes alweer tot nieuwe dieren kunnen uitgroeien. Door lichtgebrek of te sterke stroming worden de soorten van het geslacht Ricordea steeds kleiner tot ze van het substraat loslaten en een andere standplaats zoeken.

Auteur: 
Joachim Frische
Fotografie: 
Joachim Frische
Vertaling: 
N. de Jong
Literatuur: 
Baensch, H.A. & H. Debelius, 1992. Meerwasser Atlas. Mergus Verlag, Melle.
Dörnemann, D., K. Sauer &am[p; T. Urbig, 1992. Untersuchungen zur Fluoreszenz von Scheiben-anemonen. DATZ 46 (2), 104-106.
Fossa, S.A. & A,J, Nilsen, 1995. Korallenriff-Aquarium Band 4. BSV-Verlag, Bornheim.
Frische, J., 1992. Das Riffaquarium. Tetra Verlag, Melle.
Frische, J., 1998. Ihr Hobby: Blumentiere im Meerwasseraquarium. Bede Verlag, Ruhmannsfelden.
Frische, J., 1999. Erfolgreiche Nachzuchten im Meerwasseraquarium. Bede Verlag, Ruhmannsfelden.
Frische, J., 2001. Ratgeber: Handbuch der Meerwasseraquaristik. Bede Verlag, Ruhmannsfelden.
Frische, J. & H. Finck, 2003. Mini Atlas der Meerestiere. Bede Verlag, Ruhmannsfelden.
Mebs, D., 1989. Gifte im Riff. Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft mbH, Stuttgart.
Schuhmacher, H. & J. Hinterkircher, 1996. Niedere Meerestiere. BLV-Verlagsgesellschaft mbH, München.
Wilkens, P., 1987. Niedere Tiere: Steinkorallen, Scheiben- und Krustanemonen. Engelbert Pfriem Verlag, Wuppertal.