Tapijtanemoon Stichodactyla haddoni | Nederlandse Bond Aqua Terra

Tapijtanemoon Stichodactyla haddoni

De meeste soorten van het zeeanemoongeslacht Stichodactyla (was vroeger Stoichactis), de symbioseanemonen, zijn duidelijk te herkennen aan hun kleine, korte tentakels, die bijna de gehele schijf bedekken. Ze vertonen daarom enige overeenkomst met het groot olifantsoor (Amplexidiscus fenestrafer).
Symbioseanemonen worden regelmatig aangevoerd en onder de Nederlandse naam 'tapijtanemoon' verkocht. De niet meer geldige geslachtsnaam Stoichactis wordt in de aquariumhandel en door liefhebbers nog veel gebruikt.

Tapijtanemonen behoren tot het geslacht Stichodactyla. Er worden vier soorten onderscheiden: S. haddoni, S. gigantea en S. mertensii, die leven in de westelijke Stille Oceaan en de Indische Oceaan (de twee eerste ook nog in de Rode Zee) en S. helianthus, die voorkomt in het Caraïbische gebied. De door de handel het meest geïmporteerde tapijtanemonen zijn Stichodactyla haddoni en S. gigantea. Alle tapijtanemonen worden gekenmerkt door talrijke eenvormige tentakels, die korter zijn dan 30 mm en die bijna de hele mondschijf bedekken. De soorten zijn niet gemakkelijk uit elkaar te houden. S. haddoni en S. gigantea hebben bijzonder kleverige tentakels, die aan de huid blijven plakken.

Paarse exemplaren komen helaas zelden bij de handel binnenHun mondschijf is sterk golvend. De tentakels van S. mertensii kleven niet, de rand van de mondschijf volgt de contouren van de ondergrond en golft veel minder uit zichzelf. Bovendien kunnen er op de mondschijf, vooral in het centrum, plukken langere tentakels voorkomen. De mondschijf hecht zich aan een harde ondergrond met behulp van groene of oranje gekleurde zuignappen (verrucae). De tentakels kunnen groen, bruin of paars zijn. S. mertensii is de grootste tapijtanemoon en kan een mondschijfdiameter bereiken van meer dan een meter. S. haddoni heeft een mondschijfdiameter van maximaal 80 cm, maar blijft meestal rond de 50 cm, terwijl S. gigantea, niet in overeenstemming met zijn naam, de kleinste tapijtanemoon is met een maximale diameter van ca 30 cm. De mondschijven van S. haddoni en S. gigantea zijn doorgaans bruin of geelachtig gekleurd. Ook aan de bases hebben de tentakels deze kleur, maar zijn aan de punten groen, geel, paars, grijs of zelfs roze gekleurd.

De tentakels van S. haddoni zijn klein, zeer talrijk en staan dicht op elkaar, terwijl die van S. gigantea wat langer zijn, minder talrijk en daardoor wat meer uit elkaar staand. Een ander belangrijk verschil tussen S. haddoni en S. gigantea is dat de tentakels van S. gigantea voortdurend in beweging zijn en die van S. haddoni niet. De tentakels van beide soorten bezitten talrijke netelcellen met een sterk netelgif. Die van S. haddoni netelen het sterkst. De Caraïbische tapijtanemoon S. helianthus is gekenmerkt door talrijke korte, dikkere en aan de top ronde tentakels.

Het substraat

In de natuur zijn beide soorten ook te onderscheiden door hun voorkeur voor het substraat, waarop zij zich vestigen. S. haddoni leeft in wat dieper water op zandbodems met een stenen ondergrond, waarop de anemoon zich vastzet. Ook vleien ze zich graag tegen uit het zand stekende stenen of dode koralen. Bij gevaar kunnen zij zich bliksemsnel intrekken, zodat ze onder het zand verdwenen zijn, voordat je er erg in hebt. Overigens wordt deze handeling ook uitgevoerd als ze niet worden gestoord. S. mertensii geeft de voorkeur aan ondieper water en de zandbodem hoeft geen stenen als ondergrond te hebben.

Aquariumervaringen

De houdbaarheid in het aquarium is het grootst voor S. haddoni. Wanneer deze zeeanemoon in een zandbodem van minstens zo'n 10 cm hoog wordt gelegd tussen een paar grote en kleine stenen zal hij zich in een mum van tijd hebben vastgezogen. Mijn oudste S. haddoni staat ruim 10 jaar in de bak. Diverse verhuizingen hebben hem niet gedeerd. Ik bezit twee diepblauwe exemplaren, een grasgroene en een lichtpaarse. Ik ben nog op zoek naar een donkerpaars type, maar die zijn - evenals de rode variëteit - al verkocht, voordat ze zijn uitgepakt. Beide kleurvariëteiten komen helaas sporadisch binnen.

Ik ben de gelukkige eigenaar van maar liefst twee prachtige diepblauwe tapijtanemonen, naast nog een roze en een groen exemplaar. Ze staan allemaal in plm. 15 cm zand, met hun voet tegen of tussen stenen. Hoewel ik in Curaçao een diepblauw exemplaar in een poeltje heb gezien, dat bij eb bijna droogviel, heb ik deze anemonen verder voornamelijk in het zand waargenomen.Raak deze anemoon niet met de handen aan! Zij kunnen zo sterk netelen dat op de binnenzijde van de arm of op andere gevoelige huiddelen brandblaren kunnen ontstaan. Ook zullen de tentakels aan de huid blijven plakken wanneer je de anemoon niet de gelegenheid geeft zichzelf los te laten. De tentakels kunnen dan van het dier losscheuren. Deze beschadiging hoeft trouwens niet tot de dood van de anemoon te leiden. Ze zijn oersterk. Gebruik de transportzak waarin het dier zich bevindt, als handschoen en laat het vanuit die zak op de plaats van bestemming vallen. Maak eerst een kuiltje in het zand tussen de stenen. Vanuit deze positie kruipt de voet van de anemoon vanzelf naar de onderkant van één of meer stenen. Na een paar dagen kan gevoerd worden met niet te grof voer. De beste resultaten krijgt u door regelmatig een regenworm te voeren. Door de reactie van de worm wordt de anemoon gestimuleerd en zal in een oogwenk de schijf om de worm heen plooien. Na een paar minuten is de worm geconsumeerd. Mijn ervaring is dat S. haddoni zelden gevoerd hoeft te worden. De zoöxanthellen, waarmee het in symbiose leeft, zijn in staat het dier te laten leven. Ik voer mijn tapijtanemonen één keer per maand met een regenworm of een stukje mossel. De dieren staan in mijn 'gemengde' bak en vangen natuurlijk wel wat voer uit het water, wanneer ik mijn vissen voer.

Pas op! Wanneer u een bijna wit exemplaar tegenkomt, hou er dan rekening mee dat dit niet de natuurlijke kleur van het dier is. Dit dier is zijn zoöxanthellen kwijt. Wanneer het nog eet, kan het weer zijn normale kleur terugkrijgen en heeft het een overlevingskans.

Medebewoners

Nu kom ik op het onderwerp medebewoners. Ik gooi een paar theorieën omver. Er wordt nl. beweerd dat deze anemonen niet samen gehouden kunnen worden met lipvissen, die in het zand slapen, garnalen en vissen zoals grondels en pitvissen. Al deze genoemde soorten houd ik al jaren samen met de tapijtanemonen in mijn bakken. Om precies te zijn: diverse pitvissen, poetsgarnalen, vuurgarnalen, kappersgarnalen, grondels die in symbiose leven met een garnaal, lipvissen zoals Coris en andere. Ik denk dat deze dieren toch op de één of andere manier de tapijtanemonen herkennen door intuïtie of door aanraking. Er zit regelmatig een garnaal met zijn tentakels vast aan een tapijtanemoon nadat er gevoerd is en het diertje een voedselrestje uit de anemoon probeert te pakken. Geen probleem, ze trekken zich steeds weer los. Op een gegeven moment kan het misschien wel eens fout gaan, maar in al die jaren is dat bij mij nog niet gebeurd. Met lipvissen, en vooral met de diamantlipvis, die in het zand overnacht, is het wel oppassen. Wanneer ze na hun slaapje uit het zand willen kruipen en daarbij de rand van de tapijtanemoon aanraken, kan het fout gaan. Vooral nieuwe bewoners moeten de eerste minuten in de gaten worden gehouden. Vooral wanneer ze worden nagejaagd door de oude bewoners, kunnen ze in hun vluchtpoging een misrekening maken. De oplossing is ervoor te zorgen dat er voldoende stenen om de anemoon liggen. De lipvissen kunnen zich dan ook niet onder het zand door naar de anemoon verplaatsen. En verder zult u dit kleine risico maar moeten incalculeren. De anemonen doen het prima onder tl, maar hebben wel veel licht nodig. Toch kruipen ze in mijn bakken naar de zijkanten van het aquarium toe en staan niet op de sterkst verlichte plaatsen. Waarom? Geen idee. In de natuur heb ik ze zelfs in rotspoeltjes zien staan in de felle zon met een watertemperatuur van meer dan dertig graden. Wanneer de stroming niet te sterk is (de schijf mag niet steeds opwaaien) en van meer kanten komt - om en om schakelen van de pompen is niet alleen voor deze anemonen een must, maar dat geldt voor alle anemonen wilt u ze niet aan het 'lopen' heb- ben - blijven ze jaren op dezelfde plek staan. Wel kan door een verandering in het aquarium de anemoon zich verplaatsen. Pas dan op voor de sterk netelende werking.

Met zijn tot vangnet vergroeide voorpoten vangt de symbiosekrab plankton uit het water. Net als de symbiosegarnaal prima te houden in combinatie met een tapijtanemoon. Een tapijtanemoon zonder een symbiosebewoner is als een huis zonder bewoners. In de natuur leven diverse vissen en kreeftachtigen samen (in symbiose) met de tapijtanemoon. In het aquarium kunnen we dat nabootsen door bv. een symbiosegarnaal of symbiosekrab aan te schaffen. Meestal komen ze met de anemonen mee. Hou er wel rekening mee dat de symbiosegarnaal of -krab bij de de desbetreffende soort anemoon hoort.

Symbiose

Een prettige, mooie en vooral ook interessante bijkomstigheid is, dat deze anemonen in symbiose met garnaaltjes, krabbetjes en anemoonvisjes kunnen worden gehouden.
Het is wel zaak dat u de juiste symbiosegast aan de anemoon toevertrouwt. In mijn tapijtanemonen S. haddoni leven symbiosegarnalen van de soort Periclimenes brevicarpalis en symbiosekrabbetjes van het geslacht Neopetrolisthes en om precies te zijn: daarvan houd ik N. ohshimai en N. maculatus zonder problemen. Ook heb ik een paartje Amphiprion ocellaris samen met een tapijtanemoon in de bak. U moet bij het aanschaffen van een symbiosegarnaal wel zeker zijn van het feit dat u P. brevicarpalis mee naar huis neemt, wanneer u de combinatie met S. haddoni wilt aangaan en niet de daarop lijkende P. yucatanicus, die in symbiose leeft met de Caraïbische anemoon Condylactis gigantea. Mijn ervaring is dat deze laatste garnaal heel moeilijk, zo niet onmogelijk, aan S. haddoni te wennen valt. P. brevicarpalis is minder kieskeurig.

Wilt u een tapijtanemoon aanschaffen, houdt u er dan rekening mee dat ze niet goedkoop zijn. Op dit moment (juni 2000) liggen de prijzen rond de honderd gulden.

Auteur: 
J.H. van Ommen
Fotografie: 
J.H. van Ommen