Drijfplanten: zin of onzin?

Drijfplanten nemen in de natuur - en dus ook in het aquarium - een eigen plaats in. Bijna iedere aquarist houdt wel een of andere soort in het aquarium of heeft ooit wel eens drijfplanten - gewild of ongewild - daarin gehad.

De waterhyacint kan in de natuur zeer sterk woekeren en daarbij wateren verstoppen (zoals hier in Lake Tohekepaliga in Florida), maar in een aquarium blijft de plant veel kleiner en leidt er vaak een erbarmelijk bestaan.In sommige aquaria vallen drijfplanten helemaal niet op. In andere aquaria gaan zij zich echter massaal vermeerderen, zodat ze werkelijk storend worden of zelfs tot een heuse plaag uitgroeien.

Zin?

Toch hebben drijfplanten - mits bij oordeelkundig en bescheiden gebruik - wel degelijk zin. Denk maar eens aan het bovenste deel van de achterwand van een aquarium. Hoe moet je dat in 's hemelsnaam bedekken? Immers, de meeste planten groeien enkel tot de bovenste waterlagen. Sommige soorten drijfplanten daarentegen kunnen ook boven het wateroppervlak uitkomen en bieden zo een decoratieve uitweg. Verder zijn veel vissen ook herbivoor aangelegd en verorberen regelmatig de jonge scheuten van het plantenbestand. Drijfplanten schijnen echter buiten hun reikvermogen te liggen. Een van de uitzonderingen: de goudvis, Carassius auratus.

Zeker

Drijfplanten kunnen - naast het decoratieve aspect - nog om meer dan een van de volgende redenen worden aangewend:

  • om het licht te dempen
  • om schuilmogelijkheden voor bepaalde vissen te creëren
  • om een schaduwdeel in het aquarium te maken
  • om vissen te verzorgen die veelvuldig in de bodem woelen en dan wortelende planten regelmatig lostrekken

Veel beter geschikt voor het aquarium is een verwant van de waterhyacint, namelijk Eichhornia azurea. Deze wortelt in de bodem, vormt onder water een zeer decoratieve onderwatervorm, maar verandert aan de oppervlakte sterk van uiterlijk. Tussen de emerse lepelvormige bladeren ontstaat dan vrij gemakkelijk een bloeiwijzeVerder zijn drijfplanten uitstekend geschikt:

  • als steunweefsel voor het schuimnest van labyrintvissen
  • als liefdesnest voor barbelen en zalmen, die bij voorkeur hun eieren afzetten aan de fijngeveerde wortels
  • als babykamer/schuilplaats voor jongbroed, zodat ze meer overlevingskansen hebben, doordat ze minder snel worden opgegeten door andere vissen
  • als babyopvangsysteem voor bepaalde cichliden die op een vaste ondergrond afzetten en later de uitgekomen jongen overbrengen naar drijfplantwortels
  • als verzamelplaats voor cichlidenjongen die de nacht onder drijfplanten doorbrengen (pas later slapen ze, zoals andere cichliden, op de bodem)

Welke?

Beschikt men over een open aquarium verlicht met hanglampen dan kunnen soorten die veel licht gebruiken en boven de waterspiegel uitgroeien met succes worden toegepast. Maar ook in een aquarium met dekruiten en buislampen doen bepaalde soorten het uitstekend. Daarvan noem ik er enkele.

De waterhyacint, Eichhornia crassipes

De waterhyacint kan zelfs in een open aquarium wel eens gaan bloeien, alhoewel dat eenvoudiger realiseerbaar is in een vijver, maar dan alleen in een warme zomer. De winter overleeft ze niet buiten. Deze plant vermenigvuldigt zich d.m.v. uitlopers en kan rustige waterzones binnen de kortste tijd overwoekeren.

De mosselplant, Pistia stratiotes

De drijfplant is gevoelig voor verhitting van boven en voor condenswater. Bij gebrek aan licht blijven de bladeren klein en plat op het water liggen. Hiermee dient men rekening te houden als de plant wordt gebruikt in een aquarium met dekruiten. De vermenigvuldiging gebeurt d.m.v. uitlopers. Zo kunnen rustige waterzones binnen de kortste keren overwoekerd worden.

De eikenbladvaren, Ceratopteris cornuta (evenals C. pteridoides)

De eikenbladvaren bezit lange wortels en heeft dichte rozetten van lichtgroene, niet te diep ingesneden veerdelige bladeren. De plant stelt geen strenge eisen aan de waterkwaliteit. Natuurlijk groeit zij sneller in goed bemest water en houdt van een temperatuur vanaf 15° C tot meer dan 30° C. Zij krijgt een doorsnede van 60 cm en doet het in bijna elk soort aquarium.
Men kan ze ook in de bodem planten, mits men erop let dat de wortelhals boven het zand zichtbaar blijft. De plant verandert dan wel vrij sterk van uiterlijk. De vermeerdering gebeurt door vorming van adventiefplanten. Er worden kleine dochterplanten gevormd op de oudere bladwaaiers. Naast een degelijke achterwandbedekking als drijfplant - waarbij een perlondraad ervoor zorgt dat de gewenste positie blijft behouden - kan deze soort ook als solitair op de achtergrond worden gezet.

De krabbenscheer, Stratiotes aloides

Deze plant heeft scherpe bladranden met kleine tandjes. Eigenlijk is het een koudwaterplant en dus niet geschikt voor hoge temperaturen. Zij moet trouwens ook koel overwinteren. Daartegenover staat dat deze plant uitermate decoratief is. Naast het los drijven, kan zij ook op het kienhout worden geplaatst.

De Javavaren, Colysis pteropus (synoniem: Microsorum pteropus)

Pistia stratiotes is lid van de aronskelkfamilie, hetgeen velen niet bekend is. Tussen de bladvoeten ontwikkelt zich echter bij goed groeiende exemplaren vaak een heel kleine bloeiwijze (spatha), zoals hier te zien is.Javavaren wordt ca 20 cm hoog en heeft een kruipende, groene wortelstok. De bladeren zijn alleenstaand, gesteeld en lancetvormig, soms meerlobbig.
Deze plant wordt het beste ergens onder het wateroppervlak gefixeerd op de achterwand, stenen of kienhout door de wortelstok daarop te bevestigen. Plant de wortelstok nooit in de bodem.
De Javavaren leeft in de natuur amfibisch in zacht en vaak lichtzuur water met temperaturen tussen 20 en 28° C. De vermeerdering gebeurt door adventiefplanten aan bladeren en door uitlopers uit de wortelstokken. Men kan hem als solitairplant aanwenden of in groepen als wandbedekking. Eigenlijk hoort deze dus niet bij de drijfplanten.

Het watervorkje, Riccia fluitans

Afgezien van de zozeer bekende drijvende vorm kan Riccia fluitans op natte aarde (of ook wel verticaal op een turfplaatje tegen de achterwand en boven waterspiegel) een veel minder fijnverdeelde landvorm ontwikkelen. In deze thalleuze vorm kan de plant zich ook geslachtelijk voortplanten, hetgeen bij de watervorm niet gebeurt.Dit levermos bestaat in zijn waterfase uit talloze, sterk gevorkte groeisels, die in dichte kussens dooreen groeien en aan de oppervlakte drijven. In die vorm kan het ook wel eens submers op een substraat worden vastgezet. Boven water kan zich een veel minder gedeelde landvorm ontwikkelen.
De verzorging is makkelijk. De vereiste temperatuur ligt tussen 15 en 30° C. Zeer zacht voedselarm water wordt niet lang verdragen. Men moet de 'kussenplant' regelmatig uitdunnen. De vermeerdering geschiedt door deling van de kussens.

Eendekroos, Lemna minor, of andere soorten

Kroos aan de oppervlakte. Heb je het eenmaal in de bak, dan kom je er haast niet meer van af, al is dat eigenlijk ook niet nodig. Regelmatig verwijderen met een netje houdt een en ander wel binnen de perken.Eendekroos wordt vaak samen met zelf geschept levend voer in het aquarium gebracht. De vermenigvuldiging van deze plantensoort is ongelooflijk snel. Daarom wordt eendekroos vaak als onkruid beschouwd. Als je het eenmaal in de bak hebt, raak je het haast niet meer kwijt. Maar als je het regelmatig afschept, zorgt het restant voor het dempen van het licht zonder andere planten echter te veel in het donker te zetten. Daarenboven zijn goudvissen er dol op. Eendekroos kan dus best de sla vervangen. Dat is trouwens nog veel goedkoper ook!

Met drijfplanten kan men veel experimenteren. Men kan zelfs selecteren en eventueel combineren. Ze zijn nuttig, te proberen en beslist de moeite waard.

 

Auteur: 
Tannia Sels
Fotografie: 
P.J. van der Vlugt