Het juiste aquariumwater (5)

In deel 1 en 2 werd vooral gesproken over het natuurlijke water en zijn grote verscheidenheid in samenstelling. In deel 3 t/m 4 ging ik dieper in op de controle van het aquariumwater. Hier het slot over de controle van het aquariumwater.

In zee is de uitwisseling van kooldioxide en zuurstof optimaal

Kooldioxide (CO2), koolzuur

Kooldioxide is het gas, dat vissen uitademen en dat planten voor hun assimilatie nodig hebben. In water opgelost heet het koolzuur. Water met een kalkarme bodem reageert ten gevolge van een overschot aan koolzuur zuur, en water met een kalkrijke bodem is vrij van koolzuur, want dit wordt voor het oplossen van de kalk en het in oplossing houden in het water verbruikt. Op dit fenomeen berust de werking van kalkreactoren, die in de zeewateraquaristiek worden ingezet. In zeewater ligt de grenswaarde voor het CO2-gehalte namelijk veel lager dan in zoetwater: tussen 0,4 en 2,5 mg/l. Men kan de in het calciumbicarbonaat gebonden en het vrije koolzuur van het water bepalen, eerstgenoemde als KH. Om de CO2 te kunnen bepalen, zijn er meetsets verkrijgbaar die koolzuur in relatie tot pH door middel van een zogenaamde duurtest kunnen meten. JBL brengt een dergelijk meetset onder de naam JBL Permanent Test CO2 plus pH.
Indien men niet over permanente meetgegevens kan beschikken - dat wil zeggen dat men de dosering van kooldioxide niet door middel van een regelventiel kan sturen in relatie tot een ingestelde pH - en men toch kooldioxide wil toevoegen aan het aquariumwater, dan is een regelmatige meting van zowel KH, pH als CO2 een absolute noodzaak. In den regel kan men dan volstaan met één keer per week en bij iedere waterwisseling.

Zuurstof (O2)

Over zuurstof en nog meer over zuurstofgebrek wordt veel geschreven en gepraat. Gelukkig beschikken wij tegenwoordig over reagens, die een kwantitatieve bepaling van het zuurstofgehalte snel kunnen vaststellen. Toch wil ik een paar algemeen bekende feiten nog eens herhalen. Het is algemeen bekend, dat koud water meer zuurstof kan opnemen dan warm water. Bij 10 °C bedraagt de zuurstofverzadiging 10,9 mg/l, bij 20 °C nog 8,8 mg/l en bij 30 °C slechts 7,5 mg/l. Bij 25 °C, voor zoet zowel als zeewater een gemiddelde temperatuur bedraagt de maximale zuurstofverzadiging circa 8 mg/l. Uit deze cijfers kan men afleiden, dat het in dichtbevolkte aquaria, met een relatief hoge temperatuur, eerder tot zuurstofgebrek kan komen dan in koudwateraquaria onder dezelfde omstandigheden. Rottende voedselresten en afstervende planten zijn bijkomende zuurstofverbruikers. De voor de meeste vissen kritische grens ligt bij een zuurstofgehalte van 5 - 3 mg/l. Bij een vermoedelijk zuurstofgebrek moet men niet onmiddellijk de doorluchting op hogere toeren laten draaien, maar men kan eerst een poging doen met de toevoeging van waterstofperoxide (ook wel waterstofsuperoxide genoemd). Een beschrijving van de toepassing vindt men in verschillende aquariumboeken. Desondanks onderstaand het recept:

Men neme 1 ml van een 15%-ige (!) waterstofperoxide-oplossing voor iedere 20 liter aquariumwater en men wacht dan twee uur af'. Waterstofperoxide kan men bij vrijwel iedere drogisterij kopen. Mocht de oplossing niet 15%-ig zijn, dan dienen wij deze door middel van toevoeging van gedistilleerd water zelf op deze verdunningsgraad te brengen.
Het verdient aanbeveling om de verdunde oplossing druppelsgewijs en bij voorkeur bij de uitstromer in het aquarium te laten lopen.

Zijn de vissen dan toch gestorven, dan was de doodsoorzaak in ieder geval niet door zuurstofgebrek. Bij zuurstofgebrek zouden de vissen na 10 tot 15 minuten weer levendigheid moeten vertonen en geen bijzondere affiniteit meer tot het wateroppervlak.
Hoe kan een en ander nu worden verklaard? Waterstofperoxide valt in water, afhankelijk van zijn samenstelling, uiteen in zuurstof en water. De atomaire zuurstof gaat daarbij snel in oplossing. Of de peroxidegift toereikend was, kan men door middel van bijvoorbeeld de JBL Sauerstoff Testset O2 gemakkelijk vaststellen. De meting van het zuurstofgehalte dient iedere maand te worden gedaan en natuurlijk ook als de vissen regelmatiger naar het wateroppervlak komen.

Chloor, chloride (Cl-)

Chloor is dat gas, dat men vroeger aan drinkwater toevoegde om de meestal penetrante geur te onderdrukken. Het Rotterdams leidingwater was berucht om de grote hoeveelheid chloor, die aan het drinkwater werd toegevoegd. Volgens opgave van WaterNet (Gemeentewaterleidingen Amsterdam) wordt zowel het duin- als het plassenwater intensief gemengd met ozon. Ozongas breekt bestrijdingsmiddelen af en zorgt voor een betere smaak, geur en kleur van het water. Het Amsterdams leidingwater wordt dus niet meer gechloreerd. Chloor prikkelt het neusslijmvlies en de ogen en het berust op bijgeloof, dat het schadelijke kiemen zou doden in zwembaden. De hoeveelheid chloor, die hiervoor noodzakelijk zou zijn, zou het zwemmen in dergelijk water absoluut onmogelijk maken. Bij vissen werkt chloor op de kieuwen en de slijmhuid. Slechts 0,2 mg/l chloor is voldoende om vissen binnen drie weken te doden.

Chloriden zijn verbindingen van chloor met andere stoffen. Chloride van aardalkaliën komt zowel in duin- als in plassenwater voor. Het Amsterdams duinwater bevat 90 mg/l en het Amsterdams plassenwater 76 mg/l. Aquaristen in Haarlem, Heemstede, Haarlemmermeer, Amstelveen, Ouder-Amstel, Amsterdam, Diemen, Muiden, Weesp en Huizen zullen plassenwater uit de leiding tappen. Voor hen geldt dus een chloridegehalte van circa 75 mg/l. In feite is slechts een hoeveelheid van 10 mg/l acceptabel en wanneer men dan nog voor bestrijding van Ichthyophthirius (witte stip) aan het water kookzout of een vissenmedicijn toevoegt, waarvan het kookzout niet wordt gedeclareerd, dan kan het gevaarlijk worden. De eerste symptomen manifesteren zich bij de planten. Die vergelen en groeien niet meer.

Het is dus aan te bevelen om het toe te voegen leidingwater te neutraliseren. Hiervoor zijn verschillende middelen in de handel. Zelf gebruik ik Aqua-Zac, een product van Zoo Zajac, dat zware metalen bindt, chloor en chloride neutraliseert en waar wat vitamine B1 en jodium aan zijn toegevoegd. De aanbevolen dosering is 2 ml op 10 liter aquariumwater. Deze hoeveelheid voeg ik toe aan een gieter met broeskop door middel van een pipet. Het middel is relatief goedkoop, namelijk € 24,99 voor 5 liter (voldoende voor 20.000 liter aquariumwater). Hiermee doe ik dus 1 jaar en 10 maanden.
Overigens is het verwonderlijk, dat er - bij mijn weten - geen testsets in de handel zijn om chloor en/of chloride te meten.

IJzer (Fe)

IJzer behoort tot de sporenelementen en wordt in veel wateren in tamelijk hoge concentraties aangetroffen. Verwarmt men een dergelijk water in het aquarium, dan slaan de ijzerverbindingen als ijzer-III-hydroxide (bruine neerslag) onder andere neer op de kieuwen van de vissen en kunnen daardoor het ademen zo bemoeilijken, dat gevoelige soorten, bijvoorbeeld discusvissen, achter elkaar het loodje leggen. Ondanks dit alles, is ijzer als plantenmeststof een noodzaak. De hoeveelheid ijzer in zoetwateraquaria mag maximaal liggen tussen 0,05 en 0,2 mg/l en in zeewateraquaria tussen 0,002 en 0,05 mg/l. Dat het ijzergehalte dus regelmatig dient te worden gemeten, zal u ondertussen duidelijk zijn. Ik gebruik weer een middel van JBL, namelijk JBL Eisen Testset Fe. Aan mijn dagelijkse waterverversing van 30 liter (bakinhoud netto 380 liter) voeg ik nog 7 ml Flora-Zac, eveneens van Zoo Zajac, toe. Dit is een meststof met ijzer, sporenelementen en andere plantenvoedingsstoffen (zonder nitraat en fosfaat).

Koper (Cu)

Koperverbindingen zijn - meestal niet gedeclareerd - in veel bestrijdingsmiddelen aanwezig, in het bijzonder in bestrijdingsmiddelen tegen algen. 0,14 mg kopersulfaat/l water kan al giftig zijn. In zacht, zuur water is koper bijzonder gevaarlijk, aangezien het zich daarin niet met een onschadelijk laagje kopercarbonaat kan bedekken. GEISLER raadt af om verwarmingselementen van koper te gebruiken als die niet voldoende zijn geïsoleerd. Het kopergehalte mag maximaal 0,3 mg/l bedragen en dan alleen bij behandeling tegen Oödinium. Met nieuwe koperen waterleidingen verdient het aanbeveling om het water eerst 10 minuten te laten doorstromen alvorens dit gebruiken voor aquaria. Met JBL Kupfer Testset Cu kunnen kopergehalten van 0,15 mg/l tot en met 2,0 mg/l worden vastgesteld.

Kinine

Dit onderwerp zou niet geschreven behoeven te worden als er geen zogenaamde vismedicijnen in de handel verkrijgbaar zouden zijn, die als wezenlijk bestanddeel kinine bevatten zonder dat dit gedeclareerd wordt. De argeloze aquarist, die op deze obscure medicamenten vertrouwt, verwondert zich na enige dagen, dat niet alleen de parasieten verdwenen zijn, maar dat ook de gastheren het tijdelijke met het eeuwige hebben verwisseld. Als men het vermoedt, kan men kinine natuurlijk door middel van omkeerosmose verwijderen. Ter controle of werkelijk alle kinine is verwijderd, kan men op 20 - 30 ml water een mespuntje wolfraamatofosforzuur toevoegen. Een kinineconcentratie van 1 gram kininehydrochloride in 100 liter water geeft dan een geelmelkachtige troebeling. Kininesporen geven een lichte troebeling.
Ter geruststelling het volgende: de vooraanstaande merkfabrikanten kunnen het zich niet veroorloven om bedenkelijke medicijnen in de handel te brengen. Ondanks dat kunt u uw leverancier - de aquariumvakhandel - vragen of zijn medicijnen vrij zijn van kinine.

Elektrisch geleidend vermogen en osmotische druk

Het elektrisch geleidend vermogen is het kenmerk van het ionengehalte in het water. Het wordt aangegeven in micro Siemens per cm (µS/cm). De meting volgt bij 18 °C. Meet men bij andere temperaturen, dan moet men een indexgetal na de 'S' aangeven, bijvoorbeeld µS26 betekent, dat bij een temperatuur van 26 °C werd gemeten. Om waarden, die in verschillende temperaturen werden gemeten te kunnen vergelijken, worden factoren ingevoerd, waarmee het geleidend vermogen (ook wel geleidbaarheid genoemd) wordt vermenigvuldigd. Deze factoren luiden als volgt:

  • 15 °C, factor 1,07
  • 18 °C, factor 1,00
  • 20 °C, factor 0,96
  • 25 °C, factor 0,86
  • 28 °C, factor 0,79

Meet men dus in een temperatuur van 25 °C een geleidend vermogen van 450, dan is de werkelijke waarde 450 x 0,79 = 355 µS.

Riviermonding aan Bretonse kustGeleidend vermogen als zodanig zegt natuurlijk niets over de geschiktheid van het water. Men moet deze in relatie met de GH, KH, SH en pH beoordelen. KH 1 °DH is ongeveer gelijk aan 30 µS 0,5 mg kookzout geeft een geleidbaarheid van 10 µS. Theoretisch mag gedistilleerd water geen geleidend vermogen hebben. In de praktijk wordt echter tussen de 0,2 en 4 µS gevonden.
Aangezien de verschillende zouten in overeenkomstige concentraties een gelijk geleidend vermogen veroorzaken, kan men, zoals in het begin al is gezegd, met de algemene opgave van het geleidende vermogen, nauwkeurig beschouwd, niets beginnen - met één uitzondering: als we weten bij welke µS-waarden bepaalde vissen afzetten, zouden we voor dat doel, bijvoorbeeld uit gedistilleerd water en kookzout, het juiste afzetwater voor ze kunnen bereiden. Om die reden alleen loont zich natuurlijk de aanschaf van een geleidbaarheidsmeter (kosten circa € 50,00) nauwelijks. Maar het overzetten van vissen gebeurt wel met een geruster geweten als we niet alleen de carbonaathardheid, de pH en het nitrietgehalte van beide bakken kennen, maar ook het geleidende vermogen. Zo er grotere verschillen in het geleidende vermogen bestaan, is het aan te bevelen om de vissen eerst in water te zetten met een gemiddelde geleidbaarheid. Men kan dus water uit beide bakken in een derde bakje met elkaar mengen en daar de vissen, in de eerste fase, in overwennen. Volgens GEISLER zou het overzetten van vissen uit een bak met een lagere geleidbaarheid naar een hogere, minder schadelijk zijn dan omgekeerd. Desniettemin - en daarop wil ik hier nog eens uitdrukkelijk de nadruk leggen - moeten we ernaar streven vissen te houden in water met een lage geleidbaarheid. Slaat men het Handboek Aquarium Planten van Christine Kasselmann er op na, dan worden daarin de volgende µS-waarden voor de volgende wateren vermeld:

  • Rio Guaporé (Brazilië) 22
  • Rio Sipao (Venezuela) 12,2
  • Rio Aro (Venezuela) 22,6
  • Rio Paraña (Argentinië) 33
  • Rio Uruguay (Argentinië) 18
  • Rio Yanayacu (Peru) 205
  • Tanganjikameer (Zaïre) 593
  • Tanganjikameer (Tanzania) 1054
  • Rivier (Madagaskar) 30
  • Sepik-River (Irian Jaja) 84
  • Rivier (Irian Jaja) 82
  • Tasek Bera (Maleisië) 14,2

Ondanks deze cijfers geeft JBL in zijn 'Online Labor' aan, dat een µS-waarde <250 te laag is en dat deze zou moeten liggen tussen µS 250 - 800.

In nauwe samenhang met de hoeveelheid opgeloste mineralen in het water, gemeten door middel van de geleidbaarheid, staat de osmotische druk, die verantwoordelijk is voor het opzwellen en krimpen van eieren, spermatozoïden en natuurlijk ook van de waterplanten. Indien we niet direct zwellingsprocessen willen provoceren, dienen we ervoor te zorgen dat de osmotische druk in eieren en spermatozoïden ongeveer met dat van het aquariumwater overeenstemt. Is de osmotische druk in de cellen hoger dan dat van het water, dan treden smeltingsprocessen op. In het extreme geval springen de cellen, beschimmelen en dienen Coleps-soorten en andere infusoriën als een welkome voedingsbodem. Is de osmotische druk in het water hoger dan in de cellen, dan krimpen die. Het gevolg in beide gevallen is hetzelfde: afsterven van de eieren en de spermatozoïden, zodat het verwachte kweekresultaat noodgedwongen uitblijft. Natuurlijk kan men meer keren per dag controleren of met de eieren alles nog in orde is, maar zekerder is, zonder twijfel, het instellen van de juiste waarden en dit is zonder het meten van de geleidbaarheid onmogelijk. Ook bij een onverklaarbare vergeling en groeistilstand van de waterplanten, dient men - in relatie tot KH, pH en nitriet - in ieder geval ook het geleidende vermogen van het aquariumwater te meten en niet willekeurig de bodem te bemesten, wat meestal de toestand waarin de planten verkeren, niet zal veranderen.
Hoewel ongewenste kennismaking met de osmotische druk in wezen slechts de kwekers aangaat, dient niet te worden verzwegen, dat ook niet-kwekers met dergelijke problemen geconfronteerd kunnen worden, want ook zijn of haar vissen kunnen onder bezwarende omstandigheden van osmotische verhoudingen beslist symptomen in het gedrag vertonen, die een meting van het water noodzakelijk maken. Men dient er immers aan te denken, dat vissen die aan een zacht, mineraalarm water gewend zijn, dus water met een lage carbonaathardheid en een gering geleidend vermogen, ook in het aquarium aan een dergelijk milieu de voorkeur geven. En voor de nakweek is de kennis van het geleidende vermogen van het water daarom belangrijk, daar men in bijna alle publicaties de juiste waarde in µS aangeeft. Volgens GEISLER zou de gemiddelde µS-waarde voor de nakweek van de meeste aquariumvissen tussen de 25 en 150 liggen.

Dichtheid

Degene die een zeewateraquarium bezit, moet dikwijls de dichtheid controleren. Daartoe dient een areometer. Een liter zeewater weegt 1,024 - 1,029 kg. Bij de opgave van de dichtheid worden slechts de laatste twee getallen, achter de komma, genoemd. In het voorbeeld bedraagt de dichtheid dus 24-29. Hoe hoger de dichtheid, des te hoger is het zoutgehalte; hoe lager de dichtheid, des te lager is het. Gedistilleerd water heeft dus een dichtheid van 00. Men zal zeewater van 26 °C op een dichtheid van 21, zeewater van 22 °C op 23 en zeewater van 18 °C op 25 instellen.

JBL Online Labor

Degene die zijn of haar aquariumwater heeft gemeten en wil checken of de gemeten waarden overeenkomen met het juiste gemiddelde, kan in JBL Online Labor deze waarden ingeven voor een onlinewateranalyse. De volgende parameters kunnen worden gecheckt:

  • Temperatuur: normaal 24 - 28 °C
  • KH: normaal 5 - 12 °GH
  • pH: normaal 6,5 - 7,5
  • GH: normaal 8 - 20 °GH
  • NH4: normaal 0 - 0,25 mg/l
  • NO2: normaal 0 - 0,1 mg/l
  • NO3: normaal 0 - 50 mg/l
  • PO4: normaal 0 - 1 mg/l
  • Cu: normaal 0 - 0 mg/l
  • Geleidend vermogen: normaal 250 - 800 µS/cm
  • Fe: normaal 0,05 - 0,2 mg/l
Auteur: 
Dick Poelemeijer
Fotografie: 
Dick Poelemeijer