Klein mahonie, een kikkertje uit duizenden

Geldige naam: Epipedobates tricolor (Boulenger 1899).
De soort werd door Boulenger in 1899 beschreven als Prostherapis tricolor.
Typelocaliteit: Porvenir, Bolivar, westelijke helling, ongeveer 1700 meter boven zeeniveau. Dat is en blijft dus altijd de grondslag voor de benoeming en herkenning van deze kikkertjes.
Kenmerken: de grondkleur is mahoniebruin, daarop lopen lichtgroene lengtestrepen. Bovendien zijn er op de dijen verborgen, rode stipjes aanwezig. De soortaanduiding tricolor betekent driekleur. Het standaardformaat is ongeveer twee centimeter of iets meer. Ook populaties met grotere dieren - tot 30 millimeter - en kleinere van 15 - 18 millimeter zijn bekend.
Herkomst: Andes-hellingen, nevelwoud, Zuidwest-Ecuador. Het verspreidingsgebied van deze soort is niet erg groot, het beperkt zich tot deze streken.
Habitat: grazige, halfopen plaatsen in vochtig woud. Ook bij plantages, moerassige weiden of onder beschuttende begroeiing op drogere hellingen tot 2500 meter.

Klein mahonie (foto Jan Meere)De naam Prostherapis is tientallen jaren gebruikt voor weinig kleurige, kleine soorten, die verschilden van Phyllobates door vliesrestjes tussen de tenen. Over een aantal andere zeer kenmerkende verschillen van typische Prostherapis-soorten zullen we het hier niet hebben, maar wel kunnen we vaststellen, dat binnen de familie van de pijlgifkikkers Prostherapis voor enkele soorten nog steeds geldig zou kunnen zijn.
In 1987 werd door Myers de nieuwe geslachtsnaam Epipedobates opgesteld met typesoort Prostherapis tricolor. Daardoor is sindsdien Epipedobates tricolor de geldige naam en wat meer is: deze soort werd een standaard voor het genus Epipedobates. Klein mahonie bepaalt dus in feite, welke kenmerken voor dat geslacht gelden, welke soorten met recht onder de naam Epipedobates mogen en kunnen worden opgenomen.
Tot Epipedobates behoren in principe alle soorten die door Silverstone werden geplaatst in zijn femoralis-groep - soorten met tanden, met vliesrestjes tussen de tenen, met een voor pijlgifkikkers redelijk groot legsel, en dikkopjes die geen voedselspecialisten zijn, maar die kunnen overleven in kleine watertjes met enig organisch afval. Binnen de Studievereniging Het Paludarium te Den Haag noemden we dit kikkertje ongeveer 25 jaar geleden: mahoniedriekleur of mahoniekleintje. En zo'n naam is beter dan achteloos gebruikmaken van het soortelijk naamgedeelte als populaire naam. Allereerst moeten we ons realiseren, dat een soortnaam altijd uit twee gedeelten bestaat en dat het soortelijk gedeelte van die naam nooit met een hoofdletter mag beginnen. Gebruik daarom ook niet de soortaanduiding tricolor aan het begin van een zin.
Mijn eerste mahoniekleintjes hadden een grondkleur bijna zo donker als bittere chocolade met vrij smalle, lichte lengtestrepen. Hun buikzijde was min of meer roomkleurig gemarmerd met bruin. De kleuren kunnen echter nogal variëren. De dieren die ik nu heb, zijn meer kastanjebruin en hebben anders getinte lengtestrepen. In het terrarium lijken de kleuren van generatie op generatie langzaamaan te veranderen. Maar de dieren van toen heb ik niet meer - door een met andere kikkertjes meegebrachte besmetting zijn destijds in de terraria langs enkele meters wand alle kikkers overleden. Ik heb later na enige aarzeling toch van een medelid enkele dikkopjes overgenomen. De kikkertjes die daaruit aan land kwamen, zijn zoals gezegd inderdaad lichter van kleur, kastanjebruin tot chocolademelk als ondergrond. En de streeptekening kan verschillen van bijna citroengeel tot roomwit. Foto's tonen het verschil beter dan woorden.

Een man met witte puntjes. U ziet ook, dat het dier in de activiteitsfase soms olijfgroen wordt.Het met vogelzang vergeleken fluitconcert van Epipedobates tricolor ofte wel klein mahonie is spreekwoordelijk; evenals de levenslust en het weinig schuwe gedrag. Dit is een kikkertje dat je ziet, dat zich niet voortdurend verstopt en dat een huiskamerterrarium verlevendigt. Het diertje is vrij snel aan kameromstandigheden gewend en lijkt ook de verzorger spoedig te kennen. Voor de beginnende, maar oprechte gifkikkerliefhebber een goede keuze, ook als huisgenoten aan een terrarium moeten wennen. De verzorging is bij mij onregelmatig, de temperatuur hangt evenals het licht af van allerlei omstandigheden buiten en binnen. Voor klein mahonie is 16 °C een aanvaardbaar minimum, bij hogere temperaturen ontstaat meer activiteit en voor eileg is naar mijn ervaring 22 tot 25 graden gewenst. Epipedobates tricolor gebruikt soms enigszins donkere afzetplaatsen, zoals filmkokertjes of gele visvoerbusjes, maar kan een legsel net zo goed op een blad deponeren. Het legsel is weliswaar klein, maar niet erg klein.

Dit is hofmakerij, geen amplexus. De derde kleur is meestal een rode stippel, maar bij sommige populaties, zoals op deze foto is te zien, een iets langwerpig, dooiergeel vlekje. (foto Jan Meere)Mijn foto's tonen u onder andere dat bij de eileg geen amplexus of omklemming plaatsvindt, ook al valt het mannetje bij de hofmakerij wel het vrouwtje om de hals. En u ziet een legsel, waarvan u de eieren kunt tellen, niet op een donkere plaats, maar vrij op een bromeliablad. Voor deze soort is een legsel normaal als het tussen 12 en 30 eitjes bevat. Ananasgewassen ofte wel Bromeliaceae laten zich door bloei, kleur en plantvorm fraai combineren en de bladkoker biedt beschermend microklimaat.
Voor de larven of dikkopjes heeft een bromelia of andere plant weinig zin, want een slootje of poeltje in de bak is beter. Alleen kenmerkende Dendrobates-verwanten, die ik rangschik in de onderfamilie Dendrobatinae, hebben een volkomen plantgebonden broedbiologie. Van zulke soorten zijn de dikkopjes veelal voedselspecialisten, levend in bromeliakokers of in boomholten. In die beperkte ruimte eten ze gretig muggenlarven of andere dikkopjes. Dat geldt niet voor soorten als klein mahonie. De dikkopjes zijn van het algemene poeltype, levend in kleine, meestal stilstaande watertjes, ondiepe plassen of boskreekjes. Zoals van de geelbuikpad wordt gezegd 'een karrenspoor', zo kun je gifkikkerdikkopjes van dit type ook vinden in karrenspoorachtige uithollingen van een landweg, in greppels langs een bospad of in allerlei terreinverdiepingen van weinige meters groot, waarin een paar centimeter water blijft staan. Maar bijvoorbeeld ook in het plasje, dat zich in een afgevallen schutblad kan vormen. Dat is dan ook in een vochtig terrarium of paludarium voor klein mahonie de beste oplossing: een rustig poeltje middenin of een gootje/slootje langs de voorruit - door de voorruit kun je ontwikkeling en groei beter volgen. Dieper dan tien cm is echt niet nodig. Aquariumvisvoer is goed. Eerst bijvoorbeeld MicroMin, vervolgens brandnetelpoeder, plantaardige vlokken of iets dergelijks en als er stuifmeel van een Spatiphyllum of zo op het water valt, is dat prima. Later meer rode vlokken, vriesdroge muggenlarven enz. Variatie!

De dag verslapend onder een stevig blad.Eenmaal aangeland, is naar mijn mening regelmatig een flinke dot mos of wat bladaarde en vooral humusrijke grond met halfverteerd blad het beste om de kleintjes te voorzien van allerlei leefsel. Al wat van buiten komt, is echter ook ongewis. Het is stimulerend, maar kan soms minder gewenste organismen bevatten. Pas op voor duizendpoten. Dat zijn echte rovers, die ook met kleine kikkertjes korte metten kunnen maken. Liefhebbers die productie willen, zullen een springstaartenkweek moeten opzetten.
In de natuur wordt gelukkig niet elk ei een volwassen dier. In gevangenschap kan dat zo nodig wel, maar dat eist van de verzorger verantwoordelijkheid, inzicht en inzet. Want zowel voor ouderdieren als voor nakroost is gevarieerd, gevitaminiseerd voedsel noodzakelijk om problemen met skelet en voortplanting te vermijden. Zodra de groei er goed in zit, geef ik graag naast fruitvliegen ook bladluizen als ideaal bijvoer: stukje brandnetel of rozenknop en als de sapstroom stopt, gaan de bladluizen lopen!
Vroeger, toen ik meer dieren te verzorgen had, ging ik regelmatig het veld in om boven gras of ander groen met een net te zwaaien. Al wat ik ving kon, eventueel gezeefd, een bak in. Het kleinste leefsel voor gifkikkers of jongbroed, terwijl boomkikkers met groter spul gelukkig zijn. Sommige padden en flinke gekko's bleken zelfs zweefvliegen en wespen te eten. Angst voor of gevolgen van een steek heb ik bij die dieren niet waargenomen. Maar bijen en hommels zijn kennelijk te harig, in elk geval ongewenst.

Verscholen slapend onder een stevig blad.Ik raad u niet aan om bijen, steekvliegen, wespen of iets dergelijks in een terrarium te doen! Zelf ben ik zelden te beroerd voor een experiment. Wat een dier buiten kan tegenkomen, mag ook in het terrarium geen al te groot probleem vormen... Maar ik heb wel waargenomen dat een Hyla (Osteopilus) septentrionalis kennelijk door een bij of wesp in de bek werd gestoken en met de voorpoten allerlei wegwrijvende bewegingen maakte. Dat belette het dier niet om later naar zweefvlieg of wesp te happen. Hommels werden echter geschuwd. En al eerder had ik gemerkt, dat de dikke, harige hommels als voer niet welkom zijn; bij boomkikkers noch bij padden. Boombewonende kikkers van allerlei aard eten echter wel graag rupsen - alweer behalve de harige.

Auteur: 
Lucas Bauer
Fotografie: 
Lucas Bauer
Literatuur: 
ASW, 1985: Amphibian Species of the World, ed. Darrell R. Frost. Allen Press, Kansas, 1985
Bauer, 1986: Lucas Bauer, A new genus and a new specific name in the Dart Poison Frog family. Ripa, Den Haag, 1986. [Beschrijving van Ameerega met als typesoort Hyla trivittata Spix. Deze soort hoort dus zeker niet in Epipedobates Myers, 1987]
Tomey, 1984: W.A. Tomey, Juwelen uit het regenwoud van de Amazone, Het Aquarium jaargang 54, 1984 [onder andere over biotoopvernietiging en vissen; deel 3 (pag. 312/320} gaat deels over kikkertjes]
Ulber, 1995: Thomas Ulber, Ratgeber Pfeilgiftfrösche. BeDe-Verlag, Ruhmannsfelden, 1995
Walls, 1994: Jerry Walls, Jewels of the Rainforest. TFH, Neptune City, 1994