Paddenkopagame

In augustus 1996 ving mijn vriend Hans de Vries een aantal kleine hagedisjes in Mongolië. In de winter nam hij ze mee naar Nederland, waar de dieren hun winterslaaap af konden maken. Hans bracht ook een naam mee: Phrynocephalus versicolor, een paddenkopagame. Omdat dit dier niet op de CITES-lijsten staat, hoefde alleen maar met lokale wetgeving rekening gehouden te worden. Eind april kreeg ik de zeven diertjes te logeren, omdat Hans andermaal voor werk een halfjaar naar het buitenland moest.

De biotoop, de Gobi-woestijn in Mongolië (foto Hans de Vries)

Onder de zeven exemplaren bevonden zich twee mannetjes, waarvan de een duidelijk mager en onderdanig was. Een vrouwtje was erg dik, twee waren er goed gevuld. Om één kon je je zorgen maken. In de zes maanden dat de dieren bij mij logeerden, probeerde ik eieren te vinden, maar dat is niet gelukt.

Opgewonden dieren rollen hun staart op en af als een feesttoeter.Hans had ook zes eieren meegenomen. Twee konden meteen weggegooid worden. Twee andere waren bruin en wellicht ook niet meer goed. Hans had de eieren gezocht door het zand te zeven. De twee laatste witte eitjes zijn daarbij ongetwijfeld omgekeerd en daarvan konden we alleen maar hopen, dat ze goed zouden liggen. Een reptielenei mag nooit omgedraaid worden, omdat dan het losliggende embryo beschadigd wordt. Wellicht dat daarom ook deze laatste eitjes al vrij snel invielen.
Eén agaampje verdween spoorloos. Ik denk dat het is overleden en opgegeten door de aanwezige buffalowormen. Hans stopte de zes overgebleven hagedisjes thuis drie maanden in winterslaap en haalde er in het voorjaar weer vier tevoorschijn. Het waren de dominante man en drie mooie vrouwtjes. In april 1998 besloot hij dat een kweek met deze diertjes meer aandacht nodig had dan hij kon geven. Omdat waarschijnlijk niemand in Nederland (en Europa?) Phrynocephalus versicolor in huis heeft, stond ik ze met open armen op te wachten.

Phrynocephalus

Het geslacht Phrynocephalus, bestaande uit plm. 40 soorten en enkele ondersoorten, komt voor van Zuidoost-Europa/Arabië tot Oost-Azië. De soorten leven vrijwel alle in droge, vooral zanderige gebieden. De koude nachten en de heetste dagdelen brengen de dieren door in diepe holen. Bij gevaar graven ze zich snel in het losse zand in.

Het mannetje (hier rechts) is duidelijk herkenbaar aan de verdikte staartbasis. Bovendien hebben de vrouwtjes een meer gevulde buik.

De grootste Phrynocephalus-soorten worden tot 25 cm lang. De meeste soorten zijn grijsbruin gekleurd, zij het vaak met aantrekkelijke (kleurige) tekeningen. Opvallend is de grote, ronde, stompe kop. Schubben beschermen de neusopening tegen zandindringing. Ook over het trommelvlies liggen schubben. De oogleden lijken opgezwollen. Het lichaam is afgeplat. De schubben zijn klein. Pre-anale of femoraalporiën ontbreken alsmede opvallende signaalorganen.

Paddenkopagamen staan als moeilijk houdbaar bekend. Problemen doen zich o.a. voor bij de winterrust, die de meeste soorten nodig hebben. Verder drinken de dieren niet uit een schaal en moeten dus zeer regelmatig gesproeid worden. De onderste bodemlaag van het terrarium moet het liefst vochtig zijn. In ieder geval kunnen de grotere soorten onverdraagzaam tegen elkaar zijn. In de natuur worden vooral mieren (niet noodzakelijk), kevers en andere insecten gegeten. De grotere soorten schijnen soms ook plantaardig voedsel te eten. De bekendste soorten zijn P. guttatus en P. mystaceus. P. guttatus leeft o.a. in de Kaukasus en Kazachstan. Deze 13 cm lange soort legt van april tot midden augustuc drie legsels met 2 à 3 eieren. Deze komen na 4 tot 6 weken uit. De jongen zijn binnen een jaar geslachtsrijp en kunnen drie jaar oud worden. P. mystaceus leeft van West- tot Centraal-Azië. Deze 24 cm lange soort heeft zijdelings aan de bek stekels, die bij gevaar uitgezet kunnen worden. Vanaf half mei tot eind juli worden in de natuur twee legsel met 2 à 3 eieren in 20 cm diepe holen gelegd. In het terrarium vindt men tot vier legsels met 6 à 9 eieren. Deze komen na 51 - 70 dagen uit. De jongen zijn na twee jaar geslachtsrijp en kunnen 4 tot 6 jaar oud worden. P. theobaldi is een van de weinige eilevendbarende soorten. De soort leeft tot 5.000 meter hoog in de Himalaya en is daarmee het op grootste hoogte gevonden reptiel ter wereld.

Phrynocephalus versicolor

Een vrouwtje poseert met een van haar vier jongen, nadat zij eerst onbeperkt te eten heeft gekregen.Het lichaam van het overgebleven mannetje was 5,2 cm lang, zijn staart was 7,3 cm. De vrouwtjes hadden lichamen van 4,5 tot 5 cm lang, hun staarten waren 5,5 tot 6,2 cm. Toen Hans de dieren de eerste keer meebracht, viel meteen de variatie in kleur op. Twee dieren waren betrekkelijk saai gekleurd, ze waren aan de bovenzijde egaal groenbruin. Een daarvan was het mannetje, duidelijk herkenbaar aan de enorme verdikking van de staartbasis, daar waar de hernipenissen zitten. Een ander vrouwtje had een zwartwit geblokte rug en fel roodoranje okselvlekken ('roodvlek'). Het derde vrouwtje had Hans het 'Perzisch tapijtje' genoemd. Dit dier had een olijfgroene rug met prachtige zwartwitte spikkels op zijn rug. Bij alle dieren was de buik wit en zat er op elke oksel een oranje vlek. In Mongolië noemt men deze hagedis 'Honningoerwoel', ofte wel schapenhagedis ('Hon' is schaap en 'goerwoel' betekent hagedis).

Verspreiding

Tijdens het sproeien staan de agaampjes vaak hoog op de poten en iets door de knieën gezakt om zoveel mogelijk water te kunnen drinken.Men zegt dat P. versicolor in de hele Gobi-woestijn voorkomt. Hans vond zijn dieren bij de stad Dalanzadgad, de hoofdstad van de provincie Omnogov (Zuid-Gobi), 400 km ten zuiden van de hoofdstad Ulaan Baatar (Ulan-Bator) liggend. Hij vond ze in behoorlijke aantallen, maar zag er echter nooit twee of meer in hetzelfde gebiedje. Bij gevaar renden de diertjes tot 30 meter ver weg. Ze verscholen zich dan (wellicht moe gerend) in dwergstruikjes, waar ze vrij makkelijk gevangen konden worden.
De biotoop bestaat uit zanderige vlakten en duinen met veel polletjes dwergstruiken en stenen. Vrijwel het hele gebied ligt meer dan 3200 meter boven zeeniveau. In de winter kan de temperatuur tot -30° C dalen, terwijl de dagtemperatuur in de zomer soms 40° C bedraagt. Het hele jaar door valt er niet meer dan 130 mm regen en daarmee is deze regio de droogste en heetste van het land. Vrijwel alle regen valt in juni,juli en augustus; juist als de eieren in de grond liggen en de jongen uitkomen. Als voer kwamen niet veel meer dan kleine vliegjes en jonge sprinkhaantjes in aanmerking.

Huisvesting

Het terrarium waarin de dieren nu zitten, is 50 x 40 x 40 cm groot. Op de bodem ligt droog zand, dat in een hoek vochtig wordt gehouden. Omdat vaak wordt gesproeid, is de bodem regelmatig overal behoorlijk vochtig. Tijdens het sproeien strekken de dieren de achterpoten en zakken ze door de voorpoten. Ze staan dan met het achterwerk omhoog, zodat al het (in de natuur zo spaarzame) water naar de bek loopt.

De dieren waren ondeling goed te onderscheiden; achter het vrouwtje in het midden 'Perzisch tapijtje'.Als decoratie dienen een hoge steen en een platte leisteen. De laatste ligt op het vochtige zand. De dieren graven er echter geen holen onder, ze zitten meer in de schaduw onder de leisteenranden. Het terrarium wordt met een 25 watt-spotje verwarmd, zodat de temperatuur 28 tot 37° C is. 's Nachts daalt deze tot 23° C.
Een waterbakje is dus af te raden, omdat de dieren daar toch niet uit drinken en gesproeid moeten worden. Omdat de dieren graag in de modder badderen, heb ik al vrij snel toch een waterschaal (doorsnee 5 cm, diepte 1 cm) geplaatst. Ook hierin liggen de dieren vaak te rusten. Sterker nog, ze slapen erin!

Voeding

Deze diertjes eten veel. Ik voer met wasmotten, huisvliegen, weideplankton, krekeltjes en buffalowormen. Het meeste voer wordt bepoederd met een multivitaminen- en mineralenpreparaat. Plantaardig voedsel heb ik ze nooit zien eten, zelfs geen likje aan fruit. Ze komen echter regelmatig fruit tegen, omdat ik dit voor de voedseldieren in het terrarium leg.

Winterslaap

Phrynocephalus versicolor heeft een winterslaap nodig. Hans voerde enkele weken niet en gaf de winterslaap van eind november tot begin maart. De dieren zaten in een klein bakje met los zand. Het bakje werd in de koelkast gezet. Het is belangrijk te vermelden dat de dieren bij 8° C nog niet echt sliepen, terwijl ze dat daarna bij 6° C wel deden; op het zand. Deze lage temperatuur verklaart misschien de moeilijkheden bij andere auteurs, die hun Phrynocephalus-soorten de hele winter door elke dag even moesten bestralen, omdat ze anders dood gingen. De temperatuur waarbij zij hun dieren lieten overwinteren, was 10 - 15° C; wellicht niet laag genoeg. Een en ander is natuurlijk sterk afhankelijk van de soort en zijn herkomstgebied.

Paring

Na de winterslaap worden de mannetjes onderling agressief. Ze kunnen dan het best gescheiden worden. De paring heb ik nooit gesignaleerd. Wel het pronkgedrag met het oprollen van en kwispelen met de staarten alsof het een verjaardagstoeter is. Hans zag in het voorjaar wel bijtgedrag, al werd dit niet als paargedrag, maar als agressie herkend. Veel hagedissenmannen bijten hun vrouwtje in de nek of zij om vervolgens te kunnen paren. Vrouwtjes houden er regelmatig littekens aan over.

Eileg

Phrynocephalus versicolor in zijn natuurlijke biotoop. (foto Hans de Vries)Het was vanaf het eerste jaar duidelijk dat er af en toe eieren werden gelegd. Om de eieren te vinden probeerde ik tijdens de 'logeerperiode' in 1997 hetzelfde als destijds bij Paroedura pictus: een heel dun laagje droog zand, een literbak met vochtig zand en een literbak met vochtig vermiculiet. Maar daarin werden geen eieren gevonden. In het voorjaar van 1998 werd het terrarium gevuld met een 5 cm dikke laag zand. Dit wordt in een hoek vochtig gehouden, maar is regelmatig na het vele sproeien overal nat. En dan is het handig dat de dieren zulke diverse kleuren hebben. Het is een kwestie van elke dag elk vrouwtje bekijken. Het vrouwtje 'roodvlek' was 17 mei (en daarvoor) erg dik. Ik zag haar 's morgens in een zelfgegraven hol zitten. 's Middags was ze iets minder gevuld. Het zoeken leverde vijf eieren op. De 16 x 8 mm grote eitjes lagen onder de spot, 5 cm diep in behoorlijk vochtig zand.

Incubatie

De vijf eieren waren minstens gedeeltelijk roze gekleurd, een enkele zelfs geheel roze. Ik vreesde dat de bodem te vochtig was geweest. In de broedmachine legde ik ze daarom in slechts matig vochtig vermiculiet en wel zo, dat ze maar voor een kwart ingegraven lagen. Normaal ga ik uit van 1 gram water op 1 gram vermiculiet. De nu gebruikte vermiculiet was al weken niet bevochtigd en bevatte naar schatting 0,75 g water op 1 g vermiculiet. Het vermiculiet werd maar zelden bevochtigd, de eieren dreigden nooit in te vallen.
Op een na, die droogde helemaal in en was onbevrucht. Na slechts 31 dagen bij 29° C kwamen de jongen uit het ei. Hun lichaam was 2,2 cm lang, de staart 3,2 cm. Ze vertoonden al direct dezelfde diversiteit in kleuren als hun ouders. Op de foto staat het mooiste exemplaar, vol rode vlekjes. Ik hoop en denk dat dat zo blijft.

Opfok

Omdat de bedoelde opfokbak iets te vol zat met buffalokevers en -wormen durfde ik de tere jongen daar niet in te zetten. Tijdelijk moesten ze maar in een drieliterbak. Deze hield ik echter aanvankelijk overal te vochtig, de jongen lagen lusteloos op het zand. De bedoelde 50 x 30 x 20 cm grote opfokbak werd snel verschoond en voorzien van een 25 watt-gloeilamp. Op de bodem lag oude potgrond, gemengd met zand. Als decoratie werden een lavasteen en enkele leisteentjes gebruikt. Een jampotdekseltje met steentje erin diende als badplaats.
De jongen konden nu de hitte opzoeken en opdrogen. Ze werden actief en ontplooiden zich als ware graafmachines. Al gauw aten ze fruitvliegjes, kleine sprinkhaantjes en kleine huisvliegen. En ook zag ik ze de eerste week net als hun ouders, al drinken met het achterwerk omhoog. Ik verwachtte dat de dieren binnen een jaar geslachtsrijp zouden zijn. Dat was helaas iets te optimistisch. Ongeveer een maand na uitkomen ging ik vijf weken met vakantie. Ik had de vakantieverzorger gezegd goed te sproeien. Dat is wellicht iets te goed gebeurd. Door het vele vocht, de potgrond (i.p.v. zand) en de in vergelijking mindere ventilatie ontstond een mijtenplaag. Dit kostte de jongen al vrij snel het leven. Tenminste, ik denk dat het daaraan gelegen heeft. De vakantieverzorger valt uiteraard niets te verwijten.

Tot slot

Ik verwacht niet dat Phrynocephalus versicolor op korte termijn regelmatig zal worden aangeboden. Met dit artikel hoop ik vooral dat ook andere paddenkopagamen beter houdbaar worden. Voor de 'beginner' zijn er minstens even leuke hagedissen, zoals luipaardgekko's en baardagamen.
Ik hoop volgend jaar nog te kunnen kweken met deze hagedisjes. Op dit moment lijken de ouderdieren echter wat oud te worden. Het is september en het 'dik voeren' voor de winterslaap gaat niet vlot. De dieren eten minder enthousiast en blijven een tikkeltje mager. Dus of er komt een mooie fokgroep of Phrynocephalus versicolor verdwijnt voorlopig weer uit het zicht. De tijd zal het leren.

Met dank aan Hans de Vries.

Auteur: 
Eugène Bruins
Fotografie: 
Eugène Bruins
Literatuur: 
Manthey, U. & N. Schuster, 1992. Agamen. Herpetologischer Fachverlag, Münster
Obst, F.J., K. Richter & U. Jacob., 1988. The completely illustrated atlas of reptiles and amphibians for the terrarium. T.F.H. Publications, Neptune City