Sprookjesprinsen afhankelijk van milieu

Kikkers: wie kent ze niet? Voor velen zijn ze glibberig, nat en vies. Het verbaast me nog steeds, dat de prinsessen in sprookjes ze durven zoenen. Nu ja, daar worden ze dan ook meteen omgeturnd in een verblindend mooie prins. Hoe dan ook, iedereen kent kikkers, maar slechts weinigen weten er het fijne van. Want kikkers leven verborgen. Ze laten zich nauwelijks in de natuur bestuderen.
En toch zijn ze niet alleen nuttig in sprookjes. Uit hun huid kunnen bijvoorbeeld medicijnen tegen infecties en misschien aids en kanker worden gehaald. Bovendien zijn kikkers een goede parameter voor het milieu. Met het milieu gaat het helaas bergafwaarts. Daarom gaat het ook met de kikker slecht. Het aantal kikkersoorten vermindert zienderogen; steeds meer prinsen worden ziek.

Kikkers zijn - net als salamanders - amfibieën

Amfibie is Grieks en slaat op de tweeslachtigheid van deze dieren. Daarmee bedoelt men niet, dat ze twee geslachten in zich herbergen. Wel dat ze als jong in het water en als volwassene op het land leven. Deze tweeslachtige levenswijze ontstond zowat tweehonderd vijftig miljoen jaar geleden, toen de eerste vis spreekwoordelijk aan wal kroop. Het was immers in die periode nodig, dat de dieren zich aanpasten aan een steeds droger wordende leefomgeving. De eerste kikker sprong zowat honderd negentig miljoen jaar geleden. Geleerden vermoeden, dat hij dat springvermogen ontwikkelde om aan de gulzige kaken van de dinosauriërs te kunnen ontsnappen. En sindsdien zijn deze sprookjesprinsen haast niet meer veranderd.

Negentig procent van de amfibieën zijn kikkers

Rana esculenta (groene kikker)Vaak maakt men een onderscheid tussen kikkers en padden, maar er is eigenlijk geen verschil. Bij de eerste systematische studie werden er twee families bekend:
- de Ranidae, kikkers, die glad en gestroomlijnd zijn en zich springend verplaatsen, en
- de Bufonidae, padden, die plomper, ruw, wratachtig zijn en eerder lopen dan springen.
Momenteel (2003) zijn er daarnaast nog zestien verschillende families bekend. Over de hele wereld zijn er zo'n drieduizend verschillende soorten kikkers en padden. De meeste leven in tropische regenwouden, waar het constant warm en vochtig is.

Het ideale milieu!

Maar we treffen ze ook aan in de woestijnen van Australië en Noord-Amerika, in Scandinavië boven de poolcirkel en in het woeste Patagonië; zelfs tot op vierduizend vijfhonderd meter hoogte in het Himalayagebergte. In België en Nederland treffen we dertien verschillende soorten padden en kikkers aan. De bekendste zijn uiteraard de groene en de bruine kikker en de gewone pad. Maar, er zijn wel drie soorten groene kikkers: de poelkikker (Rana lessonae) en de meerkikker (Rana ridibunda) en de nazaat van dit gemengde huwelijk: de middelste groene kikker (Rana esculenta). Die benaming wordt meteen duidelijk als u de betekenis ervan begrijpt. Immers, Rana esculenta betekent letterlijk 'eetbare kikker'. Inderdaad, de middelste is de soort die gebruikt wordt voor de gebakken kikkerbilletjes en op ons bord belandt.

De kikkerhuid is als een zeef: ze drinken en ademen ermee

Omdat hun tong vastgegroeid zit aan hun onderlip, kunnen ze niet slikken en dus ook niet drinken. Om uitdroging te voorkomen blijft de kikker daarom in een vochtige omgeving leven. Toch leven er kikkers in de woestijnen. Denk maar aan de zuidelijke woelpad (Scaphiopus couchi). Na een regenbui verstopt het dier zich in een opdrogende modderpoel en als de modder hard is, zit het veilig afgesloten. Omdat er op die manier niet veel verdampt, kan hij gemakkelijk tot twee jaar ondergronds blijven. Daarenboven wordt de urine opgeslagen als ureum, zodat de pad zout wordt. Daar zout hygroscopisch is, trekt de pad water aan. Wanneer het weer eens regent, verlaat hij zijn schuilplaats, eet de termieten die ook boven komen om hun dorst te lessen, en gaat daarna weer ondergronds.

Rana temporaria (bruine kikker)

Alles wat kleiner is dan ik, is eetbaar

In de eerste fase zijn kikkervisjes herbivoren: zij leven van algen en planten. Maar in hun tweede leven, als ze kikkers geworden zijn, worden ze carnivoren. Dan houden ze van kleine waterdiertjes, insecten en alles wat kleiner is dan zij zelf. Kikkers zijn dus een natuurlijk bestrijdingsmiddel.
Ze eten insecten, die op hun beurt landbouwgewassen verorberen. Een volwassen pad zou ons voor zo'n vijftig euro aan bestrijdingsmiddelen per jaar laten besparen. Wereldwijd is dat zo'n 1,25 miljard euro. Daarom is in Europa de brulkikker (Rana catasbeiana) ingevoerd. Een dier, dat voor het geluid van een flinke koe niet hoeft onder te doen. Helaas heeft deze soort bij ons weinig overlevingskansen, omdat de winters te koud zijn. Een lekker hapje wordt met een plots naar buiten schietende, kleverige tong, gevangen (ook wel soortgenoten...). Het voedsel wordt op een speciale wijze doorgeslikt. De prooi in de bek wordt letterlijk met de ogen in de keel gedrukt. Alleen de Surinaamse, tongloze pad gooit het over een andere boeg. Hij heeft heel gevoelige vingers, waarmee hij zijn prooi in de dikke modder op de rivierbodem feilloos kan opsporen.

Alles wat even groot is als ik, is om te paren

Ondanks hun tweeslachtig bestaan zijn amfibieën voor de voortplanting nog aan het water gebonden. Padden trekken naar droge gebieden en komen terug voor de voortplanting. Kikkers blijven gewoon in de buurt van hun geboortepoeltje.
Ze brengen de winter slapend door in een zelfgemaakt hol, vlak bij datzelfde poeltje, waar ook de eieren zullen worden gelegd. Als bij ons in maart de temperatuur wat beter wordt, ontwaken de eerste kikkers uit hun winterslaap en het eerste waaraan ze denken, is paren. De mannetjes krijgen speciale vlek- en streeppatronen om beter bij het vrouwelijke geslacht op te vallen. Sommige soorten, zoals de knoflookpad (Pelobates fuscus) krijgen speciale borsteltjes op de poten. Daarmee kietelen ze het vrouwtje op de buik en prikkelen haar om eieren te leggen. Ook de kwaakblaas wordt vaak van een heel nieuw kleurtje voorzien. Want de mannelijke troef om vrouwtjes te lokken is gewoon kwaken. Komt een vrouwtje in de buurt van een paarwillig mannetje, dan wordt ze stevig door hem omhelsd, zodat ze voor geen goud meer kan weglopen. Het leuke is wel, dat de mannetjes het met hun partner niet zo nauw nemen. Ze klemmen zich vast aan alles wat beweegt. En gedraagt het voorwerp van hun keuze zich niet zoals het een fatsoenlijk wijfje betaamt, dan laten zij weer los. Heeft een mannetje van de geelbuikvuurpad (Bombina variegata) een ander mannetje beet, dan laat hij een uiterst getergde zucht horen, waarna de partner hem meteen weer loslaat. Andere paddensoorten zijn nog botter. Ze omklemmen gewoon alles wat beweegt en paren ermee. Zo gebeurt het wel eens, dat de liefdesdaad wordt bedreven met een trillende modderkluit. Maar heeft het mannetje een vrouwtje van een andere soort beet, dan is het mogelijk dat ze letterlijk doodgeknuffeld wordt. En dan blijft hij toch verder paren.

Rana arvalis (heikikker)Groene kikkers leggen in één seizoen zo'n vijf- tot tienduizend eieren. Maar de reuzenpad (Bufo marinus) kan er wel vijfendertig duizend afzetten. De eieren worden meestal aan hun lot overgelaten en vallen vaak ten prooi aan waterrovers.
Als kikkers uit het ei komen, zijn het vissenlarfjes, compleet met kieuwen, vinnetjes en een staart. Maar langzamerhand verandert het diertje. Eerst krijgt het voor-, daarna achterpootjes en uiteindelijk verdwijnt de staart. Binnenin hebben de kieuwen plaatsgemaakt voor longen en zo is de kikker uitgerust voor een leven op het land. Maar er zijn kikkers die hun kroost bewaken. De Europese vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) legt bijvoorbeeld maar vijftig eitjes, die met een lange streng aan elkaar vastzitten. Na de bevruchting wikkelt de man de eierstreng stevig rond zijn achterpoten en houdt zich schuil onder stenen tot ze uitgekomen zijn. 's Nachts gaat hij op zoek naar voedsel en bevochtigt de eieren met dauw. Drie weken later - als de jongen geboren zijn - laat hij ze in een nabijgelegen poeltje vrij. De larven kunnen zich dan zelf beschermen, want ze zijn giftig.

En het kan nog beter

Pijlgifkikkers uit het Amazonegebied (Dendrobatidae) leggen slechts vier tot dertig eitjes, die door een geleiachtige beschermlaag worden omgeven. Ze worden door de beide ouders bewaakt tot ze uitkomen. Op dat moment wroet het vrouwtje met de achterpoten in de gelei om de jongen te bevrijden. Meteen kruipen ze op moeders rug, die daar een speciaal slijm afscheidt, zodat de jongen werkelijk aan haar lichaam blijven kleven. Uiteindelijk brengt ze haar larven naar een beschermend poeltje tot ze volgroeid zijn.
De Surinaamse pad (Pipa pipa) broedt haar kroost uit in haar rug. De eieren groeien in de huid vast en de padjes kruipen naar buiten als ze volgroeid zijn.
Bij de bekbroedkikker (Rhinoderma darwinii) worden de jongen zelfs in vaders keel uitgebroed. Maar het toppunt is wel de maagbroedkikker (Rheobatrachus silus). Na het afzetten eet moeder de eieren op en in haar maag voltrekt zich het wonder van de geboorte. Dan kruipen de jongen door haar keel weer naar buiten. Deze soort leefde uitsluitend in Australië, maar is na de ontdekking in 1973 bijna nooit meer gezien. Men neemt aan dat de soort in 1980 uitgestorven is.

Bombina variegata (geelbuikvuurpad)

Alles wat groter is dan ik, is gevaar

Kikkers worden bij ons gegeten door reigers. Ook de mens is indirect door milieuvervuiling een vijand geworden. Toch staan kikkers ten dienste van de mens. Denk maar aan de nazaat uit een kruising van de poelkikker (Rana lessonae) en de meerkikker (Rana ridibunda). Jawel, de middelste groene kikker Rana esculenta), wiens billetjes voor ons een delicatesse zijn. En de brulkikker (Rana catasbeiana), die bij ons werd ingevoerd als een natuurlijk insectenbestrijdingsmiddel. De Zuid-Afrikaanse klauwkikker (Xenopus laevis) leent zich dan weer voor de beste zwangerschapstest. Wanneer het dier een injectie krijgt met urine van een zwangere vrouw, gaat zij na een paar uur eieren leggen. Verder bezit deze kikker, die leeft in vervuilde poeltjes vol rottende plantenresten, bacteriën en virussen, een stof margainine, dat als antibioticum wordt aangewend. De slijmhuid van pijlgifkikkers (Phyllobates terribilis) wordt door de Choco-indianen uit Columbia gebruikt om hun pijlpunten in te dopen. Ze wrijven ze over de kikkerrug, nadat ze de kikker boven een vuurtje hebben gehouden. Zo'n punt blijft wel twee jaar lang giftig. Deze kikkers zijn meteen de giftigste in hun soort. Tien microgram huidgif is voldoende om zomaar eventjes twintigduizend muizen of vijf volwassen mensen te doden.
In de jaren negentig werd in de huid van de pijlgifkikker (Epipedobates tricolor) de stof epibatidine gevonden, dat lijkt op nicotine en tweehonderd maal meer pijnstillend is dan morfine, maar niet verslavend. Het medicijn eruit ontstaan, ABT 594, wordt nu klinisch getest als pijnstiller. En uit de eieren en de vroege embryo's van de luipaardkikker (Rana pipiens) wordt dan weer onconase gewonnen. Deze stof lijkt op menselijk dna en werkt efficiënt tegen een aantal soorten kanker. Het zou bovendien tegen aids kunnen werken.

In onze streken zijn geen giftige kikkers, alleen in Amerikaanse tropen. Alhoewel, de gewone pad (Bufo bufo) is giftig. Hij heeft onder de wratachtige bobbeltjes gifkliertjes zitten en achter zijn ogen zitten nog twee veel grotere knobbels: de paratiode klieren. Als de pad wordt bedreigd, dan scheidt hij een scherp gif af, dat bitter smaakt en zo zal de predator zijn prooi meteen weer uitspuwen.
De geelbuikvuurpad maakt in Nederland en België geen geheim van zijn giftigheid: denk maar aan de waarschuwingskleuren. Hij heeft een heldergeel buikje met zwartblauwe vlekken en strepen, dat hij bij bedreiging laat zien. Daarbij scheidt hij een wit schuimend gif af, dat irriterend is voor de slijmvliezen.
Tegenwoordig (2003) zien we veel misvormde kikkers. Ze hebben geen, twee of drie extra pootjes. De ware oorzaak van het gebrek is nog onbekend. Zouden het chemicaliën zijn, die op de groeihormonen inwerken? Of is het gat in de ozonlaag de boosdoener? Immers, meer uv-straling veroorzaakt genetische mutaties. Daarbij gaan er ook veel soorten in aantal achteruit. Sommige soorten lijken uitgestorven. Komt dat, omdat giftige stoffen (door een verslechtering van het milieu) door de zeefhuid dringen? Of gaat de waterkwaliteit achteruit? Een ding is zeker: waar het water verbetert, komen de sprookjesprinsen terug. Het wordt tijd dat we werkelijk iets gaan doen!

Auteur: 
Tannia Sels