Wandelende bladeren

Veel insecten maken gebruik van camouflage om aan de aandacht van predatoren te ontsnappen. Wandelende bladeren hebben hierin een hoge mate van perfectie bereikt. Zelf word ik daarmee geconfronteerd wanneer ik hun terraria verschoon. Elke voedseltak moet uitvoerig worden bekeken om te voorkomen dat de insecten samen met de plantaardige bladeren in de afvalbak verdwijnen.

Van de ruim twintig soorten uit het geslacht Phyllium worden alleen P. bioculatum, P. celebicum en P. giganteum met enige regelmaat aangeboden. Ze staan bekend als moeilijk te houden dieren, vooral wanneer ze nog jong zijn. In de literatuur wordt vaak gewezen op een paar momenten in hun ontwikkelingscyclus, die problemen met zich meebrengen. Het begint met de condities, waaronder de eieren worden bewaard. Vervolgens kan het moeilijk zijn de net uitgekomen nimfen aan het eten te krijgen. Hierna zijn de opeenvolgende vervellingen gevaarlijk. Ook worden er vele factoren genoemd, die van invloed kunnen zijn op het succesvol doorlopen van deze kritische momenten. Zoals het bewaren van de eieren, voedselkeuze, relatieve luchtvochtigheid (RV), luchtverplaatsing, licht, temperatuur en hygiëne. Ondanks alle potentiële problemen gaat de kweek van Phyllium giganteum bij mij voorspoedig.

Het karakteristieke ei van P. giganteum, van twee zijden gefotografeerdPhyllium giganteum

P. giganteum is afkomstig uit West-Maleisië en Sarawak. Ze houden zich op in de door zon beschenen, goed doorluchte boomkruinen van de Guave (Psidium guajava). In tegenstelling tot P. bioculatum en P. celebicum vermeerdert P. giganteum zich in cultuur volledig parthenogenetisch. Dit betekent dat er geen mannetjes zijn en dat de eieren zonder bevruchting tot ontwikkeling komen. Er bestaan vele soorten insecten, die parthenogenetisch kunnen zijn wanneer er geen mannetjes in de buurt zijn. Meestal vermindert dan de levensvatbaarheid en komen er slechts weinig eieren tot ontwikkeling. De volledige aanpassing van P. giganteum aan parthenogenese zorgt er echter voor, dat deze negatieve effecten uitblijven. Ook in de natuur zijn ze waarschijnlijk voornamelijk parthenogenetisch, al zijn er op één locatie in Maleisië wel enkele mannetjes gevonden. De mannetjes zijn kleiner en hun lichaam is smaller en hoekiger dan de vrouwtjes met naar verhouding langere vleugels.
Net uitgekomen nimfen zijn ongeveer 2 cm groot en hebben een ruitvormig achterlijf. In het begin zijn ze roodbruin gekleurd en zeer beweeglijk. Na een dag of tien, wanneer ze beginnen te eten, worden ze groen en verdwijnt ook hun rusteloze karakter. De nimf doorloopt vervolgens zeven vervellingen, waarna de volwassen dieren ruim 10 cm groot zijn. Het enige voedsel, dat ze naast hun natuurlijke voedselbron aannemen, is braam- en eikenblad.

Huisvesting

Ik heb mijn wandelende bladeren over drie identieke volglazen bakken van 25x25x40 cm (lxbxh) verspreid zitten. Deze bakken zijn geschikt voor de huisvesting van vijf volwassen dieren tot wel 75 blaadjes van het eerste en tweede vervellingsstadium. Aan de achterzijde in het dak zit een 5 cm brede strook gaas. Aan de voorzijde op 15 cm hoogte zit 2 cm schuimrubber. Boven op de bak ligt aan de voorzijde een tl- buis.
De tl-buis heeft drie functies. Ten eerste geeft de buis warmte af, die voor een gunstige temperatuur zorgt. De dieren lijken echter niet buitengewoon gevoelig voor de exacte temperatuur, zolang deze tussen de 20° C en 30° C ligt. Uitschieters daargelaten is de temperatuur bij mijn dieren overdag rond de 24° C en 's nachts enkele graden koeler. De warmte van de tl-buis heeft ook als effect ,dat er een luchtstroom van de schuimrubberen strook in de voorzijde naar de ventilatiestrook aan de achterzijde in het dak ontstaat. Ten derde zorgt de tl-buis voor licht. De twee laatstgenoemde punten zijn samen erg belangrijk om de dieren actief en aan het eten te houden. Bij minder licht lijkt meer luchtverplaatsing nodig, bijvoorbeeld door middel van een computerventilatortje.

Twee P. giganteum in het eerste vervellingsstadium. Na ongeveer tien dagen verkleuren de nimfen van bruin naar groen.

De RV is erg belangrijk en is bij mij zeer hoog. Om dit te bereiken is de bodem bedekt met 5 cm vrij natte turf. Twee tot drie keer per week wordt een beetje leidingwater, dat bij mij vrij zacht is, met een plantenspuit verneveld. Het vernevelen gebeurt bij voorkeur 's avonds. Dit benadert naar mijn idee meer de natuurlijke situatie waar gedurende de nacht dauw op de bladeren condenseert. Bij het spuiten probeer ik de dieren zelf zoveel mogelijk te mijden. Dit schijnt vooral voor de laatste stadia van belang te zijn. Al beweren anderen dat het direct bespuiten bij P. giganteum niet schadelijk is. Ik spuit meestal een beetje van onderaf en zo weinig dat er geen echte druppels ontstaan, waardoor het risico, dat jonge wandelende blaadjes aan de druppels of ruiten vastplakken, klein is. In de loop van de ochtend drogen de bladeren weer op door de stralingswarmte van de tl-buis. De RV ligt overdag rond de 90% en stijgt 's nachts en na het spuiten naar 95% tot 98%.

De eieren

Ik begon met vijf jonge dieren, die alle vijf met de bovengenoemde huisvesting volwassen werden. Drie weken na de laatste vervelling kwamen de eerste eieren, die met kracht met het achterlijf werden weggeworpen. Dit gebeurde met een frequentie van één ei per dag per vrouwtje en resulteerde in een totaal van 850 eieren toen de dieren na ongeveer een halfjaar dood gingen. Gedurende het grootste deel van dit halfjaar was het in de bak vrij koel; overdag 21° C, 's nachts 17° C. Bij een hogere temperatuur kunnen er meer eieren per dag gelegd worden, maar zullen de dieren minder lang leven.
De eieren van wandelende bladeren zijn zeer karakteristiek. Hierdoor kunnen ze goed gebruikt worden bij de soortdeterminatie. De eieren van P. giganteum zijn donkerbruin en min of meer doosvormig. Ze hebben een afmeting van 8,5 mm in de lengte bij een breedte en hoogte van 4,5 mm. Wanneer je een ei vanaf de kopse kant bekijkt, is het min of meer vijfhoekig, waarbij twee van deze hoeken vleugelachtig vergroot zijn. De buitenschaal van de eieren, het chorion genaamd, bestaat uit twee lagen. De buitenste laag is 0,42 mm dik en voelt gummiachtig aan. Deze laag bestaat voornamelijk uit talrijke luchtkanalen, die in open verbinding met de buitenwereld staan. Door deze luchtkanaaltjes blijven de eieren lang drijven, wanneer ze in het water vallen. De eierschaal binnen in het chorion heeft een compacte structuur en is slechts 0,037 mm dik. Het operculum, het dekseltje dat de opening van het ei afsluit, is met een afmeting van 2 mm buitengewoon groot.

De eerste twee maanden werden de eieren wekelijks verzameld en per maand in een bakje met vochtige turf gelegd. De eieren in deze twee bakjes beschimmelden al snel en wel zo ernstig, dat de kans op uitkomen nihil leek. Een paar eieren werden geopend en onder een objectmicroscoop bekeken. Het binnenste leek onbeschadigd te zijn. Om de schimmel te stoppen werden ze vervolgens overgebracht naar een klein bakje gevuld met een stukje droog keukenpapier. Na dit bakje korte tijd droog weggezet te hebben om de schimmels te doen verdrogen werd het in een iets groter bakje met vochtige turf geplaatst. Hierin ondergingen de eieren de tweede helft van hun ontwikkeling. Na ongeveer zes maanden begonnen de eieren uit te komen. Het uitkomstpercentage van deze twee bakjes was 64% en 77%.

De eieren die na de eerste twee maanden werden gelegd, liet ik in de bak liggen tot de ouderdieren doodgingen. De buitenschaal was in deze periode bij veel eieren voor een groot deel vergaan, maar van ernstige schimmelgroei was geen sprake. Na het verzamelen werden ze eveneens op laatstgenoemde wijze bewaard. Ook hier waren ze in gelijke porties over twee bakjes verdeeld wat resulteerde in uitkomstpercentages van 61% en 82%.
Vergelijking van deze getallen laat zien dat met beide methodes het totale uitkomstpercentage ruim 70% is. Misschien kan het uitkomstpercentage nog verhoogd worden door de eieren wekelijks te rapen en vervolgens direct op de schimmelvrije wijze te bewaren. In ieder geval lijkt het niet verstandig om beschimmelde eieren weg te gooien. Het is zelfs mogelijk dat de afbraak van de buitenschaal het uitkomen van de jongen vergemakkelijkt.

P. giganteum is perfect gecamoufleerd tussen eikenblad. Op de foto zijn 5 dieren aanwezig

De nimfen

Zoals al door vele hobbyisten opgemerkt is, komen de nimfen vrijwel altijd in de loop van de ochtend uit het ei. Licht speelt hierbij waarschijnlijk een belangrijke rol. Al komen de eieren ook rond hetzelfde tijdstip uit, wanneer ze tijdelijk in het donker worden gezet. De inwendige klok is dan waarschijnlijk al in werking gezet.
Wanneer er nieuwe nimfen zijn uitgekomen, besproei ik 's avonds het dekseltje van het bakje, waarin ze zijn uitgekomen. Ze hebben dan de gelegenheid om te drinken, wat ze gewoonlijk ook direct doen. Dezelfde dag nog zet ik ze over naar de grote bakken. Het duurt dan nog zo'n tien dagen alvorens ze beginnen te eten. Dit is duidelijk zichtbaar, doordat hun roodbruine kleur dan in enkele dagen tijd verandert naar groen. De groene kleur van wandelende bladeren is namelijk afkomstig uit het voedsel. Dit is het moment, waarop de meeste verliezen optreden. De keuze van het voer is hier van zeer groot belang. Op een dieet van eikenblad passeerde meer dan 95% van de nimfen dit kritische punt succesvol. Welke soort eik werd voorgeschoteld, had geen invloed. Gegeven werden zomereik (Quercus robur), Amerikaanse eik (Q. rubra), moeraseik (Q. palustris) en moseik (Q. cerris). Toen er in de winter alleen braam voorhanden was, daalde het succespercentage tot ongeveer 50%. Het voeren van de jongen in de winter is dus problematisch. In dit jaargetijde zijn er naast braamblad nog twee alternatieven. In het najaar kunnen eikels worden gezaaid, waarna de ontkiemde plantjes als voer voor de uitgekomen nimfen dienen. Tevens zijn er enkele eikensoorten, die ook 's winters groen blijven. Ik heb deze echter nog niet weten te vinden. Om dieren aan het eten te krijgen wordt soms aangeraden bladranden af te knippen of er etende wandelende takken bij te zetten, maar zelf heb ik daar nooit mee geëxperimenteerd.

Verdere opfok

Volwassen P. giganteum bereiken ruim 10 cm van kop tot staartWanneer de nimfen eenmaal eten, kunnen ze indien gewenst worden overgezet op braamblad. Jonge dieren zijn hierin flexibeler dan oudere dieren, hoewel het voor beide geen ernstige problemen oplevert. Uit het geslacht van de braam wordt naar mijn ervaring alleen de gewone braam (Rubus fruticosus) goed geaccepteerd. Wanneer framboos (R. idaeus) wordt bijgeplaatst, wordt er wel aan gegeten, maar de dieren houden een sterke voorkeur voor gewone braam. De voedseltakken worden elke week vernieuwd, ongeacht de mate waarin ze opgegeten zijn. Wanneer ze langer blijven staan, hebben vooral jonge dieren daar last van. Waarschijnlijk drogen de bladeren uit, ondanks dat ze in water staan. In veel beschrijvingen wordt aangeraden om het bladgroen grondig af te spoelen alvorens het te voeren. Ik doe dat meestal niet, maar daar dient wel bij vermeld te worden dat deze bladeren van een heidegebied afkomen en dus relatief schoon zijn.

Het eerstvolgende moment, waarop te zien is of de dieren goed verzorgd en gehuisvest zijn, is de eerste vervelling. Indien de RV en ventilatie in de juiste mate aanwezig zijn, zal het goed verlopen. Het dier gaat op zijn kop hangen en kruipt uit zijn oude huid. Het achterlijf komt in de lengte opgerold uit de vervelling en spreidt zich vervolgens. Eenmaal goed door de eerste vervelling heengekomen, brengt de rest van de opfok onder dezelfde omstandigheden weinig problemen met zich mee. Soms gebeurt het dat dieren na een vervelling een verfrommeld achterlijf hebben. Dit is bij mijn dieren enkele keren voorgekomen, maar ik heb geen tegenmaatregelen getroffen. Hoewel het veroorzaakt lijkt te worden door te snel opdrogen na een vervelling, dus een te lage RV, schijnt het tegendeel waar te zijn. Waarschijnlijk blijft het achterlijf door een te hoge RV te plakkerig om zich te ontvouwen.

Bij het vernieuwen van de voedseltakken moeten de dieren overgezet worden. Hierbij worden ze bij het achterlijf vastgepakt en voorzichtig, maar doelbewust, losgetrokken. Dit gaat vrijwel altijd goed. In geen geval moeten ze bij één of enkele poten worden vastgepakt, daar dit onherroepelijk lijdt tot het loslaten van de poot. Wanneer dit toch gebeurt, regenereert er in een tijdsbestek van enkele vervellingen een nieuwe poot. Afhankelijk van welke poten missen, kan een dier met slechts drie poten nog levensvatbaar zijn.
Een andere manier, waarop de wandelende bladeren beschadigd kunnen raken, is wanneer ze aan elkaar vreten. Dit treedt op wanneer dieren van het vierde vervellingstadium of ouder met te veel bij elkaar worden gehouden. Soms kan dit leiden tot de dood van het slachtoffer, maar vaker is het minder ernstig. Ook deze schade verdwijnt met één of twee vervellingen.

Uiteindelijk resultaat

Het achterlijf van P. giganteum bezit net als het eikenblad bruine vlekkenZoals beschreven is ruim 70% van de 850 eieren uitgekomen. Van deze 605 jonge P. giganteum zijn er op het moment van schrijven (2002) in totaal 504 dieren ofwel levend de deur uitgegaan ofwel nog levend bij mij aanwezig. Veel van de verliezen zijn in een vrij korte periode opgetreden, toen in de winter alleen braam voorhanden was.
Ik hoop, dat deze beschrijving van de omstandigheden, waaronder P. giganteum bij mij leeft, ertoe bijdraagt dat meer hobbyisten deze dieren met succes zullen houden. Sinds korte tijd bezit ik ook P. celebicum. Ook deze dieren doen het uitstekend onder de genoemde omstandigheden. Een groot voordeel van deze soort is, dat jonge dieren zonder problemen direct braamblad accepteren.

Auteur: 
M. Hoogenkamp
Fotografie: 
M. Hoogenkamp
Literatuur: 
Nederlof, L-J. (2000), Wandelende bladeren. Onder het Palmblad 3(2), 37
Bühler, M. (2000) Phyllium giganteum Hausleithner, 1984. Arthropoda 8(2), 2-3
Persoonlijke correspondentie met D'Hulster, K.
phasmes.com/nos_phasmes.php?page=14
Bruins, E., Terrarium Encyclopedie. R&B b.v., Lisse. 1999
anolis.de/beratung/tiere/phyllium/giganteum.htm
Woerkom, A. van (1995) Het herkennen van wandelende bladeren aan de hand van hun eieren. Phasma 5(19), 6-7
Spreter, V. (1992) Opdat de wandelende bladeren zouden dansen. Le Monde des Phasmes 19, 16-21, vertaald door D'Hulster, K. (1995) in Phasma 5(19), 10-21
Löser, S. (1991) Exotische Insekten, Tausendfüsser und Spinnentiere. Eugen Ulmer Verlag, Stuttgart.