Cyclops

Het is aan te bevelen om eens een jampot te nemen en zo af en toe wat water uit de vijver te scheppen om te zien hoeveel leven er in de vijver zit.

Wanneer je dit water dan in het open gedeelte in de buurt van planten uit de vijver haalt, is de kans groot, dat je er een Cyclops of éénoog bij vindt. Het zijn kleine kreeftachtigen, die hun naam ontlenen aan de Griekse mythologie, waar cyclopsen of éénogen in voorkomen.

De twee antennes zijn vrijwel even groot als het dier zelf.Vrijwel overal waar we watervlooien (Daphnia, soms Bosmina) vinden, kunnen we ook deze roeipootkreeftjes tegenkomen, hoewel de hoofdverspreiding van deze orde zich in zee bevindt. Deze hooguit enkele mm grote dieren maken een springerige beweging in het water. Aan de voorkant vinden we twee sprieten, die vrijwel even lang zijn als het lichaam en die als een soort v-vorm naar de zijkanten uitsteken. Deze sprieten dienen vooral als balanceerstokken. Met deze sprieten zweeft het dier als het ware in het water en zorgt er ook voor dat het zinken sterk vertraagd wordt. Af en toe zien we ze dan door het water een snel sprongetje maken en dat is de manier waarop ze zich verplaatsen.

Ze leven in de vrije waterzone van meren en plassen, op zoek naar voedsel. Het zijn filteraars, dat wil zeggen, dat hun monddelen voorzien zijn van een soort borstel en daarmee zeven ze het voedsel uit het water. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit nog kleiner plankton dat in het water zweeft. Opmerkelijk is dat hun monddelen met de borstels ongeveer zo'n duizendmaal per minuut heen en weer gaan. Hierdoor zorgen ze voor een constante stroom vers en zuurstofrijk water.

Het pas uitgekomen dier lijkt totaal niet op het volwassen exemplaar.Heel goed is te zien dat waterluizen als Cyclops hun eieren uitwendig bij zich dragen. Het mannetje deponeert zijn sperma bij de eieruitgang van het vrouwtje en wanneer de eieren het lichaam verlaten, worden ze bevrucht. Daarna zitten ze nog een tijdje in een soort eierzakjes aan het vrouwtje vast. Zo'n zak bestaat uit verhard slijm. Na verloop van tijd worden de eieren dan ergens afgezet, meestal maar één zak tegelijk en op een andere plaats de tweede zak, waardoor de Cyclops een grotere kans heeft dat er eieren uitkomen als de ene zak ergens terechtkomt waar de eieren gegeten worden of om een of andere reden niet uitkomen.
Ook deze dieren kennen (evenals watervlooien) wintereieren: op een gegeven moment stopt de deling en dan worden de eieren ingebed in een speciaal aangemaakt slijmkapsel. In dit kapsel zijn ze bestand tegen de meest extreme weersomstandigheden, zoals uitdroging en bevriezing. Uit de eieren onstaan zeer beweeglijke larven (naupliën), die er anders uitzien dan de volwassen dieren; ze hebben minder ledematen. Na een aantal - tot wel twaalf - vervellingen krijgen ze hun uiteindelijke vorm en begint de cyclus van voren af aan.

Auteur: 
Joop Brokke
Fotografie: 
Joop Brokke