Dikkopjes werden volwassen kikkers | Nederlandse Bond Aqua Terra

Dikkopjes werden volwassen kikkers

Amfibieën worden ook wel tweeslachtigen of batrachiërs genoemd. Eigenlijk is het woord 'tweeslachtig' niet zo gelukkig gekozen. Immers, de dieren die tot deze klasse behoren, verenigen niet - zoals het woord doet vermoeden - twee geslachten in één individu, maar zijn eerder gebonden aan een vochtige omgeving. Ze brengen een groot deel van hun jeugd door in het water en gaan als volwassen dieren het land op. Voor de voortplanting zijn ze dan weer op het water aangewezen. Door deze tweedelige levenswijze werden ze met de incorrecte term 'tweeslachtigen' bedacht. Het woord 'batrachiër' is afgeleid van het Griekse 'batrakhos', dat kikvors betekent. Daar ook de salamander tot de amfibieen behoort, dekt deze benaming de lading niet.
Laat ons dus de correcte term amfibieën gebruiken, ook al zal deze tekst louter over kikkers handelen.

En etymologisch?

Ideale tuinomgeving voor amfibieënIn het Nederlands is er over de etymologie (= oorsprong) van het woord 'kikker' of 'kikvors' niet zoveel te vertellen. Je kunt natuurlijk het woord ontleden. Dan komen we tot de vaststelling, dat een kikvors een 'vors' is die 'kikt'. En terecht, vooral in het paarseizoen doet het mannetje zijn uiterste best!
In het Middelnederlands (= het Nederlands in de Middeleeuwen) komt 'vors' reeds voor als vorse. Spijtig genoeg is de oorsprong ervan onzeker. In het Duits vinden wij 'Frosch' en in het Engels 'frog'. Dat deze woorden dezelfde oorsprong hebben, is onbetwistbaar.
Als we naar het Latijn gaan, dan betekent kikker 'rana'. En het verkleinwoord van rana is ranunculus. Ik hoor u al luidop mompelen: "Is ranunculus niet het Latijnse woord voor boterbloem?" Jazeker! Er is immers een verband tussen de kikker en de waterranonkel, want zij leven beide tussen twee waters.
Ranunculus werd met de tijd ranouille, renouille of renoille. Renouille kreeg er een g bij en werd grenouille. Het Franse woord rainette voor groene boomkikker stamt dus ook rechtstreeks af van het Latijnse rana.

De wet van 31/10/80

Door de versnelde vernietiging van de natuurlijke biotopen, door dom bijgeloof en andere vormen van menselijk onbegrip moesten onze kikkers door een wet worden beschermd. Deze wet van 31/10/80 bepaalt dat je geen kikkerdril mag scheppen, noch mag vernietigen en dat je geen kikkers mag vangen of in gevangenschap houden, laat staan doden.

Een rechtvaardiging...

KikkerdrilKikkers planten zich massaal voort in het voorjaar als ze uit hun winterslaap ontwaakt zijn. De voorjaarstrek naar het water om zich voort te planten wordt eveneens beschermd.
Wie deze dieren kan zien evolueren van dikkopjes tot kikkers, is een heleboel kennis rijker. Er is immers zoveel te leren over deze - door velen als 'vies' gemerkte - dieren. Je kunt zoveel interessante waarnemingen doen. En het is nog plezierig ook! Wat de pret tempert, is het feit dat je moet zondigen tegen de beschermingswet... Maar als je bereid bent de diertjes - na hun gedaanteverwisseling - weer vrij te laten, is je geweten gesust. Maar dan moet je je ook aan dat voornemen houden.

Op zoek naar dril

Omdat kikkereieren ingebed zijn in een geleiachtig omhulsel, kleven ze onderling aan elkaar tot wat wij 'kikkerdril' noemen.
U trekt gewapend met een bokaal en een netje naar een gezonde poel. Het vervolg is bekend... Neem niet te veel, net genoeg om ze thuis te kunnen observeren. Kikkers leggen hun eieren in klompen, de padden rijgen ze aaneen tot snoeren. Aan u de keuze...

Een gastvrij onthaal

Natuurlijk hebt u voor de zoektocht reeds een bakje uitgezocht, waarin de nieuwkomers de volgende weken zullen doorbrengen. Je kunt er het beste geen bodemlaag in doen om schimmels en de ontwikkeling van schadelijke bacteriën te voorkomen. Ook van decoratiemateriaal zie je voorlopig af. De nieuwe aanwinst gedijt het beste in eigen water. Neem dus voldoende mee naar huis om je bakje te vullen. Een lage waterstand is te prefereren.
Zorg tevens dat je voldoende voedsel bij de hand hebt als de logeetjes zover zijn dat ze erom vragen. Ze houden van algen, hoornblad, halfvergane slabladeren en brandnetel.
Wees niet gastvrij voor eventuele rovers, die vaak met het water worden verhuisd. Zij kunnen je buit in een nacht vernielen en zo je geweten in opspraak brengen!

Van ei tot kikkervisje

Eens dat de eieren werden afgezet, zal het water de taak van de beschermende eischaal en de embryonale aanhangsels overnemen. Bij een goede temperatuur ontwikkelen ze binnen 1 à 2 dagen na het leggen. Onder de microscoop kun je de bijzondere fasen zien. Alleen het zwarte bolletje is daarbij belangrijk. Eerst kun je zien, dat het bolletje zich in tweeën deelt. Een uur later weer in twee, zodat er vier cellen ontstaan. Zo wordt verder gedeeld tot het ei een uitzicht krijgt van een kleine braambes.
Eens in dit stadium gaan de diverse cellen in een eigen tempo verder delen. Omdat een deel van de cellen sneller deelt dan de rest, ontstaat er een gleuf, die steeds dieper wordt.
Het ei wordt langzamerhand langwerpig en we zien een kleine knop (conform de kiem van een boon). Na enkele dagen ontstaat er een bolvormig kopje en een langwerpig lichaam met staart. Er ontwikkelen zich twee kleine neusgaten. Aan weerszijden van de kop komen er uitwendige kieuwen, terwijl er aan de voorzijde van de kop een zuignap ontstaat. Hiermee kan het kikkervisje zich aan planten vasthechten. De eiontwikkeling duurt 2-3 weken.
Als de larve door het ei breekt (en dat kun je zien!), spreken we van kikkervisje. Het heeft mond noch aarsopening.

Van kikkervisje tot dikkopje

Het pasgeboren grut teert nog op de dooierresten en blijft onbeweeglijk vastgehecht aan planten hangen om de embryonale groei te voltooien. Af en toe bemerk je kleine bewegingen, veroorzaakt door de trilharen op de huid. Er ontstaat een zuigmond, opdat het kikkervisje voedsel zou kunnen opnemen. Rond die mondopening ontstaan er rijen kleine, verhoornde tandjes en de kaken verhoornen. Het kikkervisje kan nu vrij rondzwemmen op zoek naar voedsel: planten om af te raspen, wieren en algen. (Dus moet je ervoor zorgen, dat er planten in hun verblijf zijn.) Weldra ontstaat er een huidplooi achter aan de kop - het operculum- die naar achter uitgroeit en het kleine lichaampje als een mantel omsluit en eveneens de uitwendige kieuwen (die tot draadvormige aanhangsels zijn geworden) omsluit. We spreken dan van inwendige kieuwen. In deze fase ademen de kikkervisjes langs de mond, net als vissen. Het ingeslikte water, dat bij vissen langs de kieuwspleten terug naar buiten stroomt, ontsnapt langs een opening in het operculum, dat het spiraculum wordt genoemd. Op dat ogenblik reikt het operculum reeds tot aan de staart. Wanneer de kop evenals de romp in de huidplooi zijn opgenomen, en niet meer van elkaar te onderscheiden zijn, spreken we pas van het alom gekende dikkopje.

De laatste etappe

Terwijl het dikkopje in het water dartelt, ondergaat zijn lichaam ingrijpende veranderingen. Eerst ontstaan er longen en de inwendige kieuwen verdwijnen. Het hart ontwikkelt zich door scheiding van de boezems tot een echt kikkerhart. Ook de pootjes worden gevormd en zowel de voor- als de achterpoten ontwikkelen gelijktijdig. Toch zullen de achterpoten het eerst zichtbaar zijn, omdat de voorpootjes onder het operculum verscholen zitten.
De staart verdwijnt naarmate de ledematen zich ontwikkelen. Hij wordt geresorbeerd. Men deed ooit de proef en sneed in deze fase de staart af. Het gevolg was dat de poten niet verder ontwikkelden. De gedaantewisseling stagneerde.
Intussen hebben de longen zo langzamerhand de functie van de verdwijnende kieuwen overgenomen.
Zo blijven de dikkopjes niet meer voortdurend onder water, maar moeten regelmatig aan de oppervlakte lucht opnemen. De hoornkaken worden nutteloos en afgestoten en de mondopening wordt geleidelijk groter tot een echte kikkerbek (gericht op grotere prooi).

 
Bombina variegata, geelbuikvuurpad

Herschikking van de woning dringt zich op

Natuurlijk heb je al - naargelang de behoefte en de grootte van het aquarium - regelmatig een deel van het water ververst. Nu moet je eraan denken, dat je de steeds veranderende diertjes tijdig een mogelijkheid biedt om aan land te gaan. Dus moeten ze hun aquariumruimte ruilen voor een terrariumruimte. De zandbodem die je daarin aanbrengt (met gereinigd zand, zoals het hoort), moet aan één kant oplopen, zodat de kikkertjes gemakkelijk uit het water kunnen komen. Verder kun je in het waterdeel uitstekende stukken kienhout of stenen aanbrengen. Daar moeten ze gemakkelijk kunnen opklimmen om boven water te komen.

De uiteindelijke metamorfose

De achterpootjes verschijnen het eerst, de voorpoten kort voor de metamorfose (gedaanteverwisseling). De voorpotenontwikkeling is speciaal, want dat gebeurt in de kieuwzakjes. Het weefsel ervan wordt doorbroken, waarna de pootjes pas zichtbaar worden. De staart vermindert ook gelijktijdig met de kieuwen.
In de metamorfoseperiode wordt geen voedsel opgenomen en bij het verlaten van het water is deze periode afgesloten. De dieren nemen nu geen plantaardig voedsel meer.
Ten slotte zien we een miniatuurkikkertje van circa 15 mm groot. Enkel een kort staartstompje herinnert aan het visstadium, maar verdwijnt weldra. De lengte van de ontwikkelingsperiode is afhankelijk van het voedselaanbod, de temperatuur, erfelijkheid en bepaalde milieufactoren. Gemiddeld mag je op 4 tot 5 maanden rekenen.

Rana vidibunda, grote groene kikker

Nu wordt het moeilijk

Na de metamorfose is het niet meer zo gemakkelijk om de dieren te houden. Terugbrengen naar de plaats waar u de kikkerdril hebt geschept, lijkt de meest voor de hand liggende oplossing. De dieren gaan immers dierlijk voedsel prefereren: larven van vliegen, kevers, mieren... En het voedsel wordt enkel waargenomen en gegeten als het beweegt. Daarmee sluit u de waarnemingsperiode af... Maar het kan ook zijn, dat u intussen zo aan ze gehecht bent, dat u besluit ze te houden.

Een terrarium is minder geschikt

Die nog kleine ukjes worden ooit volwassen. En volwassen dieren moeten in een terrarium wel een behoorlijke ruimte hebben. Je mag beslist geen groot aantal bij elkaar zetten en je moet zeker voldoende schuilmogelijkheden creëren. Dat impliceert dat u enerzijds toch een deel van uw opfok zult moeten afstaan en anderzijds voelen de dieren zich ook niet echt prettig. Hoe groot het terrarium ook mag zijn, het vervangt zeker niet de vrijheid. En u wilde toch diervriendelijk handelen? Denkt u nog wel aan de beschermingswet?

Een kikkervijver dan maar?

Rana esculenta, groene kikkerEn waarom eigenlijk niet? Veel verschil in de opbouw is er niet. Het enige waarop je moet letten, is het oeverdeel. De wanden moeten aflopend zijn, zodat de kikkers gemakkelijk van het water op het land kunnen klauteren. Verder kunt u het beste voor een zo natuurlijk mogelijke beplanting kiezen.
Het overvloedige gebruik van insecticiden is de medeoorzaak van de achteruitgang van de groene kikker (Rana esculenta) e.a. De groene kikker zit namelijk veel in het water en de jongen zwermen niet uit. (Een dankbare soort om te houden.) Een kikkervijver is tevens een nuttig project in het kader van de natuurbescherming. De kikkers krijgen een compensatie voor hun vernietigde milieu en leven tegelijk in vrijheid, terwijl u kunt doorgaan met waarnemingen.
Ook de bruine kikker (Rana temporaria) is geschikt voor vijvers, evenals de vuurbuikpad (Bombina variegata). De bruine kikker gaat na metamorfose weg, maar keert telkens naar zijn standplaats terug voor de eiafzetting. Bij de terugkeer naar hun geboorteplaats laat hij zich leiden door de speciale geur van het water. Ook de oriëntatie op de zon zou wellicht een rol kunnen spelen. En als u weet, dat je de dieren kan leren uit uw eigen hand voedsel te nemen, wat houdt u dan nog tegen?
Trouwens, een tuinvijver met amfibieën is weer eens wat anders dan het 'gewone' met de gebruikelijke goudvis en koi.

Groeien naar volwassenheid

Voordat de gemetamorfoseerde kikkertjes volwassen zijn, moet je nog enkele jaren geduld oefenen. Pas als ze twee jaar oud zijn, zijn ze geslachtsrijp. Ze kunnen 4-5 jaar oud worden.

Wat je dan nog meer opmerkt

Als je voor een kikkervijver hebt gekozen, kun je van nog meer dingen getuige worden. Je moet enkel de tijd nemen om - degelijk verscholen - je troetels te observeren.

Hoe vangen ze hun prooi?

Het dier dat bewegingloos zit te loeren tussen de planten, bespringt plots zijn prooi: een argeloze vlieg, die een kijkje kwam nemen. De vooraan vastzittende tong wordt bliksemsnel uitgestoten en het insect is verdwenen, voordat het er enig besef van heeft.
Grotere dieren (visjes, salamanders, libellen, vogels en kleine zoogdieren) worden met de kaken gegrepen en het is leuk te zien hoe de kikker zijn prooi met de voorpootjes handig en snel naar de bek brengt.

Kunnen deze dieren leren?

Als je goed observeert, zal ook deze vraag beantwoord worden. Zeker Ieren ze! Een kikker die eens een steek van een wesp of bij heeft gevoeld, zal de gehele familie in de toekomst uit de weg gaan.
En leren ze niet uit je hand voedsel aanvaarden? Nemen ze van jou geen stukjes lever en dode vliegen? Ze kunnen het nochtans wel leren!

Hoe zijn ze er psychologisch aan toe?

Het beeld dat een kikker over zijn leefwereld heeft, is heel schematisch. Hij redeneert (als je deze menselijke eigenschap al voor een dier mag gebruiken) als volgt: alles wat kleiner is dan ikzelf kan worden opgegeten. Mijn jongen zijn kleiner dan ikzelf. Dus kan ik ook mijn jongen opeten. Alles wat groter is dan ikzelf, vermijd ik beter. Dat ding zou mij kunnen opeten. En alles wat even groot is als ikzelf, dat bevecht ik en in de paartijd zal ik het omarmen.

Rana temporaria, bruine kikker

Hoe overwinteren ze?

Volwassen kikkers overwinteren in een modderbodem of onder de waterkant. De jongen schuilen tussen stenen, spleten en boomstronken.
Ze ontwaken afhankelijk van het weer gewoonlijk in maart, april.

Zie je een geslachtsonderscheid?

De eerste van de vier vingers van de voorpoten draagt bij het mannetje, vooral tijdens de voortplantingsperiode, twee duidelijk zichtbare, donkere knobbels. Het zijn duimkussens, die bij de copulatie een rol spelen. Verder zijn het enkel de mannetjes, die een stem hebben en geluid kunnen produceren.

Hoe ontmoeten ze een partner?

Kikkers en padden leven verspreid in bossen en weiden, maar in de paartijd begeven ze zich op weg in de richting van de dichtbijgelegen plas, poel, vijver, sloot of beek. De periode van de trek naar het water is afhankelijk van de temperatuur. De bruine kikker trekt tussen januari en april, de pad begint er pas einde maart, begin april aan. De koppels worden meestal reeds op hun tocht gevormd.
Trouwens, ook de trekroutes worden beschermd. Vaak ligt er immers tussen het begeerde water en het bos of de weide een drukke autoweg. De overstekende kikkers worden dan (on)vrijwillig tot spijs gereduceerd. Om dat te voorkomen wordt er langs de routes plasticdraad gespannen en enkele centimeters in de grond geplaatst. Langs deze draad worden op regelmatige afstanden emmers in de grond gegraven. De kikkers huppen - in hun drang naar vermenigvuldiging langs de versperring en ploffen prompt in een ingegraven emmer. De gevulde emmers worden dagelijks door vrijwilligers naar de overkant van de weg gebracht, waar de dieren zich kunnen bevredigen.

Jonge, bruine kikker

Hoe gebeurt het paren?

Het mannetje zit - te paard - op de rug van het wijfje en houdt zich stevig met de duimkussens vast. De eieren worden via de cloaca uitgestoten in het water en onmiddellijk door de zaadcellen die gelijktijdig door de man worden geloosd, bevrucht. Het gaat hier dus om een uitwendige bevruchting. De paring vindt ongeveer één maand na de winterslaap plaats. In die periode hoor je luid gekwaak (lijkend op eenden en te horen over twee kilometer in de omtrek, vooropgesteld dat er een flink aantal mannetjes meedoet).
Per vrouwtje wordt ongeveer een 10.000-tal eieren afgezet, in groepen van circa 250.
Het afzetten gebeurt tussen de waterplanten, zodat ze niet gaan drijven. De eieren zinken eerst en stijgen daarna weer. Een bevrucht eitje draait altijd, zodat de lichte pool onder is, de bovenzijde is donker gekleurd. Door wateropneming zwelt het geleiomhulsel en wordt de diameter daarvan enkele malen groter dan dat van het ei.
De groene kikker (Rana esculenta) zet af dicht bij kant, in ondiep water. De groene kikkerlarve verlaat na 7-10 dagen het eiomhulsel.

En zo komen we weer tot kikkerdril...

Een kikkerei heeft het uitzicht van een klein, zwart bolletje. Dat bolletje heeft bijna de vorm van een ronde gerstkorrel. Op het ogenblik, dat het ei wordt gelegd, is het omgeven met een dun, gelatineus laagje. Daardoor kleven alle eitjes aan elkaar tot het zogenaamde kikkerdril, dat wij kennen. Als het ei in het het water komt, zwelt het gelatineuze omhulsel onmiddellijk op omdat het water opneemt. Zo bereikt het ei de grootte van een dikke erwt. Het omhulsel wordt doorschijnend, zodat het eitje duidelijk zichtbaar in het centrum van het geleiknikkertje ligt. Het eiomhulsel is vrij stevig door hyaluronzuur. Later zorgt een enzym, hyaluronidase genoemd, voor de afbraak van het hyaluronzuur en de eiomhulsels vervloeien net voordat de larfjes vrijkomen.

Het pleidooi

Hiermee is de cyclus afgerond. Als waarnemer heb je intussen zoveel geleerd en van talrijke interessante dingen kennisgenomen. Die waardevolle bagage kan niemand je nog afnemen! Wie het niet met eigen ogen heeft gezien, heeft zoveel gemist...
Wilt u het ook eens ervaren, probeer het dan gerust. Iedereen kan het. Bereid je goed voor, stippel vooraf de doelstellingen uit en calculeer daarin ook het eindpunt. Handel steeds op een diervriendelijke wijze met respect voor het leven en de beschermingswet!
En wie weet... misschien krijg je er zin in en word je de trotse eigenaar van een speciale kikkervijver, waar rond en in de lente zo'n drukte heerst.
Het is prettig om de ouderparen - en later hun nageslacht - jaarlijks te zien terugkeren voor de afzetting. Steeds weer opnieuw kun je dan de evolutie herbeleven en stil worden. Uit respect voor die grootse schepping...

Auteur: 
Tannia Sels
Literatuur: 
Angel Fernand, Atlas des Vertebratens, Amphibiens et Reptiles
Brien Paul, Guide des travaux pratiques de zoologie, Liège
Herter Konrad Dr., Das Tierreich, Teil 3 Lurche, Sammlung Göschen
Smith Malcolm, The new naturalist, The British amphibians and reptiles