Cichlidioot: Julidochromis marlieri

In dit artikel gaat het over een ondersoort van een cichlide die al vrij lang bij ons bekend is in de hobby. Poll beschreef de vis in 1956, zij het een ander ras en het is voor mij niet helemaal duidelijk om welk ras het hierbij ging. Maar als ik het vroege en latere fotomateriaal bestudeer, kom ik slechts op enkele rassen uit, waar deze eerdere dieren toe hadden kunnen behoren en dat zijn de rassen 'Magara' of 'Milima'.

Ik ben helaas niet zodanig onderlegd, dat ik weet waar Poll zijn eerste vissen gevangen heeft. Na de beschrijving van deze eerste Julidochromis marlieri zijn er aardig wat nieuwe verschijningsvormen bijgekomen. In ieder geval zijn mij nu al 11 rassen bekend, die ik hieronder van noord naar zuid aan u zal voorstellen. Het gaat hierbij dan wel natuurlijk om de kustgebieden, daar ze daar in de rotsbiotopen voorkomen.

  1. Julidochromis marlieri 'Magara' (Noordoost-Burundi)
  2. Julidochromis marlieri 'Milima' (Noordwest-Congo, zuidelijker)
  3. Julidochromis marlieri 'Halembe' (Oost-Centraal-Tanzania)
  4. Julidochromis marlieri 'Cape Tembwe' (Centraal-West-Congo)
  5. Julidochromis marlieri 'Kala' (Zuidoost-Tanzania)
  6. Julidochromis marlieri 'Katali' (Zuidoost-Tanzania)
  7. Julidochromis marlieri 'Samazi' (Zuidoost-Tanzania)
  8. Julidochromis marlieri 'Kambwimba' (Zuidoost-Tanzania)
  9. Julidochromis marlieri 'Isanga' (Zuidoost-Zambia)
  10. Julidochromis marlieri 'Katoto' (Zuidwest-Zambia)
  11. Julidochromis marlieri 'Gombe' (Zuidwest-Zambia, noordelijker)

Julidochromis marlieri (foto Henk Alblas)U ziet dat in de zuidpunt van het meer alleen al zeven rassen voorkomen en er schijnen ook nog eens overgangsvormen voor te komen en dat maakt het onderscheid niet altijd even duidelijk. Dan is het ook nog zo dat naarmate de dieren in dieper water voorkomen, ze meestal donkerder van kleur worden, ook van dezelfde rassen. De hoofdkleuren van alle rassen variëren van een vuilwitte ondergrond tot geel met een tekening van donkerbruin tot zwarte dwars- en lengtestrepen, die dus al naar gelang het ras behoorlijk kan verschillen.
Het ras 'Katoto' dat ik hier bespreek, heeft over het algemeen een crèmewitte ondergrond met een donkerbruine tekening eroverheen. Bij dit ras echter loopt de dwarsbandtekening niet helemaal door tot onder op de buik, maar tot op ongeveer 2/3 van de hoogte van het lichaam. Verder is het strepenpatroon nogal onregelmatig en toen ik deze dieren voor het eerst zag, dacht ik dan ook eerst met een kruising van de soorten Julidochromis transcriptus en Julidochromis marlieri te maken te hebben. Na het nodige speurwerk kon ik echter toch wat fotomateriaal te pakken krijgen, waarop voor mij heel duidelijk te zien was met wat voor dieren ik hier te doen had.
Ik had de dieren namelijk te pakken kunnen krijgen in een hele gewone dierenwinkel bij mij in de buurt en daar wisten ze ook niet precies om welke vis het ging, alleen de namen 'Gombe' en 'Kipili' waren gevallen en of het nou om Julidochromis marlieri of Julidochromis transcriptus ging wist men ook al niet. Maar goed, daar kwam ik dan toch nog achter na enkele weken.

Het vrij kleine formaat verwarde mij ook nogal in het begin, daar ik in de loop van de tijd alleen de grotere rassen te zien had gekregen en die waren soms wel 15 cm groot. De dieren die ik had rondzwemmen, haalden de 10 cm nog niet eens. Achteraf bleek ook, dat dit met de beschrijving van dit ras klopte. Ad Konings houdt als onderscheid de aanwezigheid van een vlekken- en streeptekening op de wangen aan als onderscheid tussen de soorten Julidochromis marlieri en Julidochromis transcriptus, waarbij dit dus voorkomt bij de eerstgenoemde soort. Ik kan mij bij zijn mening dus alleen maar aansluiten, daar hij toch wel de gezaghebbende persoon op dit gebied is.
Ik was in de gelegenheid geweest om de vissen al enkele weken in de winkel te kunnen observeren en had ze voor de zekerheid alvast gereserveerd. Thuis was ik namelijk nog bezig met de inrichting van mijn aquariumkamer (de 'Aquazoo') en er moest dus nog een bak voor deze vissen ingericht worden.

Inrichting en verzorging

Zoals gezegd, was ik al bezig met de inrichting van de bak voor deze vissen. Wat ik daarvoor in gedachten had, had de maten 70 x 30 x 30, dus met een vrij klein bodemoppervlak. Maar dit probleem heb ik opgelost door vanaf de bodem tot aan het bodemoppervlak een rotswand op te bouwen, waarvoor ik een partij van bijna 35 kilo Jaspissteen gebruikte. Voor de vissen maakt het niet zoveel uit wat voor steensoort er gebruikt wordt; het is ten slotte een speciaalbak voor dit koppel en eigenlijk ook puur voor de kweek.
Julidochromis marlieri verscholen in holten (foto Anton Lamboj)Natuurlijk werd er op de bodem eerst een stuk piepschuim gelegd, zodat de stenen niet te veel druk op de ruit van de bodem konden geven. Daarna werd de eerste laag grotere stenen aangebracht. Ik bleek genoeg aan 20 liter rivierzand te hebben, wat ik wel eerst bijna een dag heb moeten spoelen om het echt grondig schoon te krijgen. Toen dit aangebracht was, volgde de opbouw met de rest van de stenen tot aan het wateroppervlak. Buiten de verwarming moest er natuurlijk ook nog gefilterd worden en dat is in zo'n relatief klein bakje niet altijd even gemakkelijk. Meestal gebruik ik daarvoor een klein motorfiltertje met een cassette, die je er gemakkelijk af kan nemen en waarvan de inhoud al naar behoefte kunt verwisselen. Die geven genoeg stroming en houden de bak goed helder.
De echte verontreiniging werd wekelijks verwijderd door een waterverversing van 50%, wat ik bij al mijn bakken doe. Als beplanting heb ik in de linkervoorhoek nog een grote bos Vallisneria spiralis gezet en daarmee was de inrichting wat mij betreft klaar. De temperatuur werd op 25 graden Celsius ingesteld, het water had een GH en KH van 8, en een pH van ook bijna 8. Zo heb ik de bak nog even een weekje laten staan en pas daarna ben ik de vissen op gaan halen. Na de bekende gewenningsmethode heb ik ze toen op de achtste dag na de inrichting in de bak losgelaten, waarna ik ze de eerste paar dagen amper te zien kreeg. Uiteraard hadden de twee dieren ook een beetje ruzie, zoals dat wel vaker is als je bij Julidochromis wat aan de leefomstandigheden verandert. In het begin was dat vooral zo bij de wekelijkse waterverversingen, waaraan ze dan ook maar langzaam wenden. Maar die waren gezien het formaat van de bak, de filtermethode en de grote hoeveelheid stenen (die natuurlijk het watervolume aanzienlijk verminderden) echt wel nodig.

In het begin maakte ik mij daar nog wel zorgen over, maar na hooguit twee dagen was de ruzie dan wel weer bijgelegd. Nu waren er bij de aankoop ook nog zes jongen meegekomen van zo'n 4 mm, die in de verkoopbak geboren waren en mij dus al de zekerheid gaven dat dit een koppel moest zijn. Die waren veel vrijer en zwommen overal door de bak, uiteraard zonder zich echt los van de ondergrond te maken, wat zo typisch is voor jongen van Julidochromis-soorten. Na twee weken werden de ouders ook wat vrijer en er werden hier en daar al wat stenen ondergraven en de nodige tunneltjes gemaakt. Ze aten overigens bijna alles wat ik ze voorzette; van verschillende soorten droogvoer en levend voer tot diepvriesvoer aan toe.
De voorkeur ging hierbij altijd uit naar de kleine kreeftachtigen, zoals Daphnia's en Artemia's, ook de pas uitgekomen naupliën van de laatste, die ik aan de nog kleine jongen voerde. Soms werd het levende voer echt beslopen en eerst aandachtig bekeken, soms schoten ze als duveltjes tussen de stenen uit om dan gelijk weer helemaal te verdwijnen. In de natuur eten ze naast de diertjes, die ze in de 'Aufwuchs' vinden, schijnbaar voornamelijk kleine sponzen, die in het meer op de rotsen groeien.

Ik heb in de loop van de tijd gemerkt, dat de meeste vissen in mijn 'Aquazoo' hun verzorger toch gaan herkennen en bij mijn verschijnen al achter de voorruit 'staan' Dat ze meestal niet zo van ander volk gediend waren, bleek altijd weer als ik mensen over de vloer had, die mijn 'Aquazoo' wilden bekijken of vis kwa- men halen. Maak sommige van die mensen maar eens wijs, dat tussen al die keien ook nog vissen zwemmen en soms ook nog de nodige jonge vissen. En daarmee kom ik bij de voortplanting.

De kweek

Zoals gezegd, was al gebleken, dat deze vissen een koppel vormden, omdat ze al voor nakomelingen in de winkel gezorgd hadden. Dat wilde echter nog niet zeggen, dat na overplaatsing van de vissen ze nog bereid waren om bij elkaar te blijven; dat was dus een gok. Julidochromis-soorten kunnen nogal eens gevoelig zijn voor grote veranderingen en een koppel dat misschien al jaren bij elkaar is, kan elkaar volledig negeren of zelfs afmaken na een soortgelijke verandering. Ik was erg blij met mijn kleine Tanganjikabakje en ik zat er vaak voor te kijken in de weken. Natuurlijk had het koppel de eerste tijd ruzie, maar langzamerhand na zo'n anderhalve week begonnen ze elkaar weer te verdragen. Toen kreeg ik ook een beetje in de gaten, welk dier het mannetje en welk dier het vrouwtje was.
Ten eerste kon ik ze uit elkaar houden door de tekening, die individueel na- tuurlijk verschilt. Ten tweede had het mannetje een lichte aanduiding van een voorhoofdsbult. Toen ze nog ruzie hadden, was het mannetje dus ook het dominante dier en het vrouwtje moest zich vaak verticaal achter de thermometer verstoppen, ondanks alle schuilplaatsen. Het mannetje kon natuurlijk ook in alle schuilplaatsen komen, want die was even groot. Overigens waren de dieren ongeveer 8 cm lang, toen ik ze in mijn bezit kreeg, en ze zijn amper gegroeid in de tijd dat ik ze bezat. Nadat de vrede dus hersteld was, werd er op Julidochromis-manier gebaltst, maar veel krijg je er meestal niet van te zien. Bij deze vissen gaat het daarbij voornamelijk om bepaalde standen van het lichaam, kop naar beneden of omhoog, of elkaar de buik presenteren, wat zoveel als vertrouwen betekent. Dat spreekt voor zich als je elkaar je weke delen aanbiedt.
Bij mijn dieren werd de kop omhoog gehouden bij onderwerping, terwijl het onderdanige dier dan langzaam zijwaarts wegzwom. Kop naar beneden bij langzaam voorwaarts zwemmen werd dan meestal door het dominante dier gedaan. Zeker in een bak vol met stenen krijg je natuurlijk niet echt veel van dat soort gedrag of van voorbereidingen van de voortplanting te zien. Het enige wat op een eventueel legsel duidde, was het uitgraven van holen en de afwezigheid van het vrouwtje voor langere tijd. Natuurlijk was de plek waar de eieren afgezet waren ook volledig aan het oog onttrokken. Maar per ongeluk heb ik een keer de eieren gezien tijdens het onderhoud. Ze waren bruinig van kleur en ongeveer 2 mm groot.
Nadat ik dat geconstateerd had, bleef ik de boel scherp in de gaten houden om te kijken of er jongen tevoorschijn zouden komen en na hoeveel tijd. Bij de meeste substraatbroedende cichliden (al of niet holenbroeders) is dat meestal na ongeveer 1 week tot 10 dagen. Zo ook bij deze vissen, want na acht dagen zag ik wat 3 mm kleine visjes schichtig over de stenen schuiven. Licht gespikkeld van kleur en heel dicht contact houdend met de ondergrond en in elke denkbare houding, horizontaal, verticaal en ook op de kop. Het is u misschien bekend, dat bij onder andere Julidochromis-soorten sprake is van indirecte broedzorg. Dat wil zeggen, de jongen krijgen bescherming door binnen het territorium van de ouders te blijven en daar hun kostje op te scharrelen. Dus niet zoals bij vele andere cichliden die de jongen of - andersom - de jongen die de ouders door het territorium leiden op zoek naar voedsel. Bovendien krijgen de jongen ook nog wat bescherming van de oudere broertjes en zusjes; in dit geval van een stuk of zes van het nest uit de winkel, dat nog heel lang getolereerd zou worden.
Ik had er voor de broeddrift nog drie kleine Neolamprologus ocellatus ingezet, die in wat schelpen woonden op het zandvlak, dat nog vrij was in het voormidden. Die waren er echter drie dagen later ingetrokken en dat was dus niet zo'n goede zet. Twee ervan werden binnen drie weken vermoord; de derde heeft het heel lang in zijn eentje volgehouden in zijn schelpenhuisjes.

Het was grappig om te zien, dat het vrouwtje van het koppel Julidochromis tijdens ruzie vaak naast de kleine Neolomprologus ocellatus introk, in een grotere schelp. Overigens een heel moedig kereltje, deze kleine (3 cm) schelpcichlide! Als ik met mijn hand in de bak moest voor onderhoud, dan hing hij met zijn kleine hondstandjes echt aan mijn vingers. Als ik dat dan vergelijk met de veel grotere Midden-Amerikaanse cichliden, die ik ook verzorg en kweek, verdwenen die in zo'n geval zeker gewoon tussen de stenen, en zouden hun jongen in de steek laten.
En zo kabbelde het rustig in dit bakje voort en om de 3 à 4 weken verscheen er vanzelf weer een nieuw nestje jongen. Gevoerd werd er met Artemia-naupliën, gezeefde watervlooien, door een netje geperst diepvriesvoer, fijn gewreven droogvoer en later met groter levend voer. Vooral de kreeftachtigen hadden de voorkeur en ook de ouders gingen achter de hele kleine kreeftjes aan. Door de inrichting was het niet altijd gemakkelijk om de jongen uit te vangen en moest soms de hele bak op zijn kop. Je moest zelfs uitkijken of er nog niet jongen aan de stenen vastgeplakt zaten, zeker de kleineren. Maar 3 generaties jongen zwommen er altijd wel in de bak. Grotere nesten dan een stuk of dertig heb ik nooit kunnen constateren.

Epiloog

Julidochromis ornatus (foto Henk Alblas)En zo blijft het mij maar steeds weer boeien om cichliden te houden en te kweken. Ik kan deze relatief vreedzame cichliden dan ook iedereen aanraden. Bij de eerste importen aan het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw werden deze vissen echt als dwergcichliden voorgesteld en dus ook veel in gezelschapsbakken gehouden. Natuurlijk weten we tegenwoordig, dat deze vissen veel beter tot hun recht komen in een mooie Tanganjikabak, waarin hun habitat is nagebootst. Met name de soorten Julidochromis ornatus en Julidochromis transcriptus, waar intussen ook alweer de nodige ondersoorten van ontdekt zijn, werden nog wel eens in gezelschapsbakken gehouden. Verder zijn dan nog Julidochromis regani (ook met enkele rassen) en de laatst ontdekte Julidochromis dickfeldi bekend. Allemaal vissen, die zich met hun lichaamsvorm en levensstijl aan de rotsbiotoop, waarin ze leven, hebben aangepast. Helaas verloor ik een gedeelte van de jongen en het moederdier, omdat ik verkeerde schelpen in de bak had geplaatst, die schijnbaar stoffen afgaven, waaraan ze ten onder gingen. Ik had de schelpen weliswaar uitgekookt, maar dat hielp dan schijnbaar niet. Buiten het mannetje kon ik nog zo'n vijftig jongen redden en heel recent (2006) zijn de laatsten naar een andere liefhebber verhuisd. Op het moment wonen er alweer heel andere cichliden in deze bak en ook die hebben alweer voor de nodige nakomelingen gezorgd, maar daarover een andere keer.
 

Auteur: 
W.H. Bijker
Fotografie: 
Anton Lamboj
Literatuur: 
Ad Konings (1999) Tanganjikacichliden in de natuurlijke omgeving - Cichlid Press