Cichlidioot: kaketoecichlide

Sinds mijn herstart van deze hobby omstreeks september 2002 houd ik mij weer intensief bezig met het houden van cichliden en dan met name dwergcichliden. Zoals u misschien wel weet, zijn dwergcichliden geen echte groep vissen, die in de ichtyologie (vissenkunde) een specifieke groep vormen. De naam dwergcichliden zegt eigenlijk al iets over het formaat van deze vissen. Voor deze groep wordt over het algemeen een totale lengte van maximaal 10 cm aangehouden.

Bovendien rekent men alleen de vissen hiertoe, die in de riviersystemen en andere kleinere wateren van respectievelijk Zuid-Amerika, West- en Centraal-Afrika en in één geval in Azië voorkomen. Dat houdt dus in, dat de grote groep kleinere cichliden uit respectievelijk het Malawi-en Tanganjikameer hier niet toe gerekend worden. Daarom zijn deze vissen voor mij niet minder interessant. Ik verzorg op het moment naast vissen uit Zuid-Amerika, Midden-Amerika en West-Afrika ook soorten uit het Tanganjikameer.

Apistogramma cacatoides, man, wildvangIk vind het prachtig om met andere liefhebbers over de hobby te praten en mijn ervaringen met hen te delen. Daarom verschijnt er met enige regelmaat een artikel van mijn hand. Mijn debuut op dit gebied ging over Pelvicachromis-soorten. Ik heb sinds een maand of drie een heuse aquariumkamer, die mij in staat stelt meer soorten cichliden tegelijk te verzorgen en mij de ruimte verschaft om bij eventuele nakweek de jongen op te fokken. Mijn Aquazoo, zoals ik deze kamer gedoopt heb, was al van jongsaf aan een grote wens van mij. Ik heb er tot nu toe achttien aquaria kunnen plaatsen met lengtes van 30 tot en met 125 cm. De inhoud van deze bakken gaat van 12 tot 220 liter. Dat de aanschaf van al die bakken niet duur hoeft te zijn, heeft zich bij mij bewezen. Slechts één bakje van 60 x 30 x 30 cm heb ik nieuw aangeschaft; de rest heb ik voor een prikkie op de kop getikt via het Internet, advertenties, kringloopwinkels en zelfs gratis via bekenden.
Dat je er dan vaak ook nog bruikbare apparatuur bijkrijgt is een plus. Een minpunt is, dat je er dan ook nog de oude bewoners bij krijgt, die meestal niet in je eigen bestand of plannen passen. Maar meestal vind ik wel een goed onderdak voor ze. Zo heb ik langere tijd een prachtige blauwe zoetwaterkreeft verzorgd, een dame van 30 cm; een zeer interessant dier overigens.
Onlangs moest ik met mijn hobby even een pauze inlassen en bij de herstart zat ik natuurlijk zonder planten. Dit loste zich op, doordat iemand uit mijn vereniging (Natuurvrienden Zwolle) mij twee vuilniszakken vol met planten aanbood, waarmee ik de eerste inrichting weer kon doen.Maar even terzijde: ik kan altijd nog bakken, apparatuur en inrichting gebruiken, als de prijs maar juist is.

De vis

Apistogramma cacatoides, manDe vis waar ik het in dit artikel over ga hebben, is al een oude bekende in onze hobby. Hoedeman beschreef hem al in 1951. Maar hij heeft eerst nog jaren in onze aquaria rondgezworven als Apistogramma borelli, een naam, die eigenlijk toekwam aan de vis, die wij als Apistogramma reitzigi kenden. De laatste naam is dus nu verdwenen en de beide vissoorten hebben nu de correcte naam.
Onze 'cacatoides' heeft een redelijk groot verspreidingsgebied; hij werd in Colombia gevangen in de Rio Yavari en het Lago Matamata en in Peru werd hij gevonden in de omgeving van het plaatsje Pucallpa. Hier komt bijvoorbeeld ook nog een zeer nauwe verwantschap aan Apistogramma voor. Het gaat hierbij om Apistogrammoides (Meinken 1965), die zich met recht een dwerg mag noemen met een lengte van maximaal 5 cm. Hij onderscheidt zich met name van Apistogramma door het grotere aantal harde vinstralen in de aarsvin.

Buiten de natuurlijke variëteiten zijn er in de loop der jaren nogal wat kweekvariëteiten ontstaan. Dat valt dan met name op bij de mannetjes, die verschillende vinkleuren hebben. Zo ken ik kleurslagen met geel-, oranje- en roodgevlekte vinnen, al of niet verspreid over de onpare vinnen. En dan zijn er ook nog vissen, die effen gekleurde vinnen hebben. Bij de vrouwtjes zijn die verschillende kleuren nauwelijks te onderscheiden; ze zijn bijna allemaal eender gekleurd. Ze vererven de kleuren echter wel, zodat u ze weer ziet bij de opgroeiende mannetjes. Daar er nogal eens dieren uit verschillende kweekstammen samen verkocht en derhalve gekruist worden, zullen we nog wel wat aan kleuren kunnen verwachten.
Tegenwoordig zijn de Apistogramma-soorten ingedeeld in soortencomplexen om de nauwere verwantschappen tussen de verschillende soorten aan te duiden.Hierbij heeft A. cacatoides een geheel eigen groep, waarin zich onder andere soorten als A. luelingi (Kullander 1976), A. juruensis (Kullander 1986), A. norberti (Staeck 1990) en eventueel ook nog A. brevis (Kullander 1980) en A.. spec. 'Breitbinden' bevinden. Op het moment dat ik dit schrijf zijn er volgens mij alweer wat soorten aan deze groep toegevoegd.

Apistogramma cacatoides, man, wildvangZoals u ziet, komt men de naam van de nog vrij jonge Zweedse ichtyoloog Sven E. Kullander nogal eens tegen, trouwens ook op het gebied van alle andere cichliden. Deze man is al geruime tijd bezig om enige orde te scheppen in de diverse cichlidengeslachten. Hij (her)benoemt soorten, trekt geslachten weer uit elkaar (splitten) of voegt ze soms weer tot een homogene groep samen (klumpen). Persoonlijk vind ik, dat hij er goed in slaagt het een en ander duidelijker te maken. Zo is hij zich dus ook met het zich nog steeds uitbreidende geslacht Apistogramma gaan bezighouden, wat ook echt wel nodig was in verband met de genoemde uitbreiding en de vele foutieve benamingen van diverse soorten. Wist u overigens, dat deze vissen eerst met de naam Heterogramma benoemd zijn?
Deze naam was echter al vergeven aan een geslacht van insecten. Kevers, als ik mij niet vergis. Maar ik kan mij wel voorstellen, dat u van al die herbenoemingen een beetje gek wordt; niet iedereen is zo'n cichlidioot als ik. Let u echter dan wel op, wat u in de handel koopt; het kan een totaal andere vis zijn die u aanschaft. Vooral de vrouwtjes van diverse soorten lijken zeer sterk op elkaar. Koop anders uw dieren bij een speciaalliefhebber en/of -kweker. Met A. cacatoides zal dit echter niet zo'n vaart lopen; ze zijn nogal goed herkenbaar.

Terug naar de vis zelf

A. cacatoides is een polygame soort. Dat wil zeggen, dat het mannetje er meer vrouwtjes op na kan houden als die aanwezig zijn. Dat kunnen er soms wel 3 of 4 tegelijk zijn en dan moet hij zijn aandacht over de meer dames verdelen. Ikzelf houdt een mannetje met twee vrouwtjes samen. Het zijn echte holenbroeders, wat zich vooral bij het vrouwtje manifesteert. Die is namelijk niet voor niets zo klein; ze moet door de in- en uitzwemopening van de haar verkozen broedholte kunnen. Zij zal dan ook niet groter worden dan een 5 cm; hij kan soms wel 10 cm worden, al blijft dat ook meestal wat kleiner. Hij is dus groot en sterk en moet het complete territorium bewaken, inclusief die van de vrouwtjes, die binnen zijn gebied vallen. Dit betekent echter niet, dat madame de mindere van de beide geslachten is! Als hij niet in de buurt van het broedhol gewenst is, kan zij dat zeer furieus kenbaar maken door hem te bijten en te ramstoten en staartslagen uit te delen. Is dan de bak, waarin u de dieren houdt, te klein, dan kan dit best eens de dood van het mannetje betekenen.

Apistogramma cacatoides, vrouw, wildvangVan deze soort is het mannetje echt de mooiste van het stel. Hij heeft een prachtig vinnenstelsel. Zowel de Nederlandse als de Latijnse soortnaam doen vermoeden waar deze vis op lijkt. Een kakatoe of was het kaketoe? Nou ja, zo'n papegaai met een verenhoofdtooi dus. Vooral de tweede tot en met de zesde vinstraal van zijn rugvin zijn sterk verlengd en doen dus aan die bewuste hoofdtooi van die vogel denken. De eerste twee vistralen zijn daarbij zwart gekleurd, ook bij het vrouwtje. De langste derde vinstraal meet bij mijn dier wel 3 cm. Na de zesde vinstraal zakt de hoogte van de rugvin weer in en loopt gelijkmatig af om tegen het einde weer wat op te lopen en spits te eindigen. De punt reikt dan wel tot op de helft van de staartvin. Van deze staartvin zijn de bovenste en onderste vinstralen sterk verlengd, waardoor je een soort liervorm krijgt. In het midden meet de staartvin zo'n 3 cm, bij de punten wel 5 cm.

Kleurbeschrijving

Bij het mannetje zijn bij mijn dier de rug- en staartvin knalgeel. De buikvinnen zijn aan de basis doorschijnend geel, daarna overgaand in doorschijnend lichtblauw en de laatste buitenste vinstralen zijn wit en sterk verlengd. De borstvinnen zijn geheel doorschijnend bij beide geslachten. Dan is de aarsvin ook overwegend geel, maar zwart afgebiesd. Vanaf de achterkant van het zwarte oog loopt een zwarte lengtestreep (ook weer bij beide geslachten), die naar het midden toe iets verbreedt en tot in het begin van de staartwortel weer versmalt. Kenmerkend voor deze soort zijn de drie kleinere lengtestreepjes, die onder de grote lengtestreep liggen. Ze liggen wat meer op het achterste deel van het lichaam en lopen precies over drie schubbenrijen heen. Deze strepen zijn vrijwel altijd zichtbaar en weerspiegelen ook in wat voor stemming de dieren verkeren.
Het vrouwtje is wat soberder uitgevoerd en overwegend zacht- tot knalgeel, al naar gelang de stemming, met zwarte aftekeningen. Mijn mannetje heeft dan ook nog een lichte nettekening, waardoor het lichaam grijs lijkt met gele en lichtblauwe vlagen. Zijn kopprofiel is dat van een 'onderbijter', wat door de dikke lippen op een eindstandige bek nog versterkt wordt. De bek staat bijna altijd open,wat nogal een sullige indruk wekt. Verder loopt er bij alle dieren nog een prominente, zwarte streep van de onderkant van het oog schuin naar achteren tot aan de rand van de kieuwdeksel. Niet te vergeten zijn de buitenste vinstralen van de buikvinnen van het vrouwtje, die als signaalvlaggen dienen om de jongen rond te leiden. Deze soort is zijdelings behoorlijk sterk samengedrukt.

De inrichting en verzorging

Zelf houd ik de dieren in een bak met een beetje rare maten, nl. 80 x 30 x 40 cm, met een netto inhoud van 96 liter. Relatief gezien dus weinig bodemoppervlak en wat groter zou dus wel wat gunstiger geweest zijn, omdat cichliden over het algemeen daar hun territorium verdedigen. Maar ja, deze bak had ik tot mijn beschikking en ik heb het tekort aan oppervlak opgelost door op verschillende hoogtes schuilplaatsen aan te brengen. Ik had daarvoor twee mooie stukken kienhout, die zeer vertakt zijn en ook nog holtes hebben. Deze stukken hout reiken vanaf de bodem tot aan het wateroppervlak en ze beslaan door hun uitlopers bijna de hele achterwand. Achter deze stukken hout bevindt zich het binnenfilter (die ik voor kleinere bakken altijd gebruik), wat vaantjesplanten (Hygrophila difformis) en een bos Rotala macrandra. Het is echt of er twee bomen in het water staan. Rechtsachter dan nog de verwarming. Linksvoor staat een bosje Belgisch groen (Hygrophila polysperma), middenvoor een grote bos Elodea spec., rechtsvoor nog een bos Rotala macrandra en aan het oppervlak drijvend eikenblad (Ceratopteris thalictroides) en Japanse klimop (Cardamine lyrata). Vergeef mij als de namen van de planten niet meer up-to-date zijn, dat is nou bijvoorbeeld iets waar ik niet zoveel van weet.

Apistogramma cacatoides, man, wildvangVerder heb ik drie bloempotjes in de bak geplaatst, linksvoor, midden en rechtsachter. U kent dat wel, op zijn kop met een stuk uit de rand. Dan nog wat stukken leisteen tegen de achterwand als decoratie. De achterwand zelf is een poster met rotsmotief, die steeds minder zichtbaar wordt door de bealging van de achterruit. Een inwendige achterwand zou hier trouwens ook te veel van het bodemoppervlak wegnemen.
Er wordt gefilterd over turfgranulaat en perlonwatten, de temperatuur staat constant op 26 °C. Elke week wordt er 40 liter water ververst met een pH van ongeveer 7.4, en een GH en DH van ongeveer 8. Dat is Zwols leidingwater, waarvan de pH ook nogal eens wat hoger uit kan vallen, helaas. De bak is dus goed beplant en dat is voor de meeste dwergcichliden echt geen bezwaar. De drijfplanten zijn bijna een must. Ze geven een wat bedekter sfeertje, waar de dwergen zo van houden. In deze bak, zoals meer bij mij, bestaat de bodembedekking uit klein basaltsplit, waar de vissen het mooist op kleuren, net als de planten trouwens.
Vanaf de linkerhoek achter heb ik dan nog een laag met grotere kiezels liggen, die tot aan de voorruit reikt. Dit geeft naast het decoratieve effect ook nog een mooie dieptewerking. Het ligt onder het kienhout door en het lijkt daardoor wat op een bocht in een rivier. Er zijn mensen die het een en ander wat anders zouden aanpakken, maar het zijn bij mij in eerste instantie toch kweekbakken, decoratief, maar vooral functioneel. Het feit, dat de meeste soorten vissen zich bij mij gewillig voortplanten, bewijst dat ze zich op hun gemak voelen.

Naast de vele jonge levendbarenden, die ik met evenveel zorg en toewijding opfok, zwemmen er sinds eind april 2005 alweer verscheidene nesten jonge cichliden rond bij mij. Over deze soorten zal ik nog berichten.

De kweek

Op 28 april 2005 scharrel ik weer eens in de lokale handel en zag ik een paar mooie A. cacatoides rondzwemmen. Ik weifelde dan ook niet te lang en liet mij een mooi koppel inpakken. Het was voor mij al wel zeker 20 jaar terug, dat ik deze soort in mijn bezit had. Ik was toen echter nog maar een tiener met een zeer beperkt budget en derhalve ook beschikbare ruimte. De vissen zaten dus toen in te druk bevolkte bakken met als gevolg, dat er van serieus kweken niet veel terechtkwam. Omdat deze vis als niet bijzonder moeilijk na te kweken bekendstaat, wilde ik het nu eens met deze soort proberen. Meestal kun je beter een aantal jonge dieren kopen, waaruit zich dan later een goed koppel kan vormen. Ik heb trouwens over het algemeen echter nogal een goed oog voor vissen, waarvan ik vermoed dat zij later een goed span zullen vormen. Vaak zijn dat de dominante dieren uit de bak bij de handelaar. Het is dan ook maar zelden dat ik hierbij een miskoop maak.

Na de bekende gewenningsmethode liet ik de vissen na een halfuurtje vrij in hun nieuwe thuis. Ze wenden zich vrij snel daaraan en het vrouwtje nam het bloempotje linksvoor in beslag. Na twee weken besloot ik er nog een tweede vrouwtje bij te kopen, dat vervolgens de rechterhelft van de bak in beslag nam. Gezusterlijk werd de bak in tweeën gedeeld. Het mannetje pendelde hierbij van het ene vrouwtje naar het andere, maar had wel voorkeur voor het eerste vrouwtje, dat trouwens wat lichter van kleur is.
Voortdurend probeerden de dames de aandacht op zich te vestigen door al baltsend voor hem te gaan staan. Hierbij werd met het lichaam geschud, de mondbodem ging naar beneden en er volgden ook nog staartklappen. Meestal verkleuren de dames hierbij ook en zijn er alleen nog wat zwarte aftekeningen te zien op de buik en de oogstreep. Uiteraard is ze daarbij knalgeel van kleur. Goed twee weken na de aankoop zag ik dat het eerste vrouwtje voortdurend in broedkleuren rondzwom. Ze bevond zich bijna voortdurend in het linker bloempotje en kwam alleen af en toe naar buiten om iets te eten of om het mannetje 'aan zijn lurven' te trekken, dat hij zijn bewakingstaken wat beter moest vervullen.
Het was namelijk zo, dat zich op dat moment ook tijdelijk een koppeltje Microgeophagus ramirezi in de bak bevond. Ik ben namelijk bezig om voor twee van deze koppeltjes een bak in te richten. De laatste hebben echter geen geduld en produceerden twee dagen na aankoop dan ook al een legsel. Dit bevond zich boven aan de achterkant van hetzelfde stuk kienhout, waaronder het bloempotje van A. cacatoides stond. In eerste instantie verdeelden ze de bak in een bovenste en in een onderste helft, maar dit werd natuurlijk wel te krap. Na twee dagen echter was het legsel van de ramirezi's weer weg en de cacatoides waren weer de baas in de bak. Twee dagen later verhuisden de ramirezi's naar hun eigen bak, waar zij nog vele legsels produceerden, maar tot heden nog geen jongen. Of dit aan de waterkwaliteit ligt, onervarenheid van het kweekkoppel of misschien helaas aan het feit, dat deze dieren te doorgefokt zijn, valt nog te bezien.

Intussen zag ik dat het tweede vrouwtje ook af en toe in en voor haar bloempotje stond te waaieren in broedkleuren, dus meneer was ook al bij de buurvrouw op bezoek geweest. De opening in dit bloempotje was echter zo klein, dat hij hier niet naar binnen kon. Dat moet normaal geen probleem zijn. Voor de bevruchting van het legsel slaat hij dan het homvocht met zijn grote staartvin naar binnen. Maar na in totaal vijf legsels van beide dames zag ik nog steeds geen jongen verschijnen. Bijna altijd éé dag na de wekelijkse waterverversing werd er de volgende dag afgezet, vooral door het eerste vrouwtje.

Het moet dus vanzelf een keer goed gaan, de pH, GH en DH doen bij deze soort niet zo ter zake, tenzij het wildvangdieren betreft misschien. Op 7 juni 2005 zag ik het eerste vrouwtje weer met broedkleuren in de opening van haar hol staan te waaieren. Dit gebeurt voornamelijk met de staartvin, die dan naar binnen steekt. Regelmatig haalde ze hierbij het mannetje op, die aan het banjeren is, meestal bij de buurvrouw. Schoorvoetend(vinnend) en nogal sloom kwam hij dan zijn plichten vervullen. Precies acht dagen later, vroeg in de avond, zag ik het vrouwtje met een klein schooltje jongen voor de ingang van de bloempot verschijnen.
Dit tijdstip zag ik bij latere broedsels steeds terug. Het is maar een klein schooltje van 26 stuks, zoals later bleek. Ze zijn, overigens net als de eieren, geel van kleur en maar zo'n 3 mm. Tijdens het rondzwemmen volgden ze vooral de uitgestoken zwarte buikvinnen van het vrouwtje, later ook van het mannetje, die echter niet deze zwarte aftekening bezit. Ik moet zeggen, naarmate de jongen wat ouder worden, dat het mannetje zich net zoveel om ze bekommert als het vrouwtje. Sterker nog, ik heb de indruk dat de jongen liever het mannetje volgen dan het vrouwtje. Later zag ik dat de jongen meer de ouders leidden dan andersom. Overigens ondervonden ze van de medebewoners geen last. Dit waren een kleine Ancistrus dolichopterus en vijf Corydoras hastatus.
Ook het tweede vrouwtje gaf geen problemen en ik zit eigenlijk op het moment te wachten, dat zij ook met jongen tevoorschijn komt. Ik wil wel eens zien hoe dat gaat als de jongen van de twee verschillende nesten met elkaar in contact komen en eventueel overgaan naar het andere ouderdier. Helaas tot nu nog niet dus. Omdat ik nu eerst de jongen wil redden, hevelde ik welgeteld 26 stuks met een slangetje af. Het volgende nest heb ik ongeveer een maand bij de ouderdieren gelaten, inprenting is toch heel belangrijk. Natuurlijk zijn zowel de ouders, met name het vrouwtje, als de jongen na zo'n ingreep verstoord. Maar na twee dagen gaat het vrouwtje normaliter dan weer haar gang.
Bij de jongen plaats ik meestal pasgeboren levendbarenden om ze hun schuwheid te doen verliezen. Een andere reden om de jongen bij de ouders weg te halen is, dat ik ze zo veel gerichter kan voeren en dat is nu op dit moment goed te zien aan hun groei. Eerst plaats ik ze dan in een klein bakje van ongeveer 10 liter, de volgende stap is dan een bak van 50 liter. Precies op het moment, dat ik naast het bewuste aquarium zit en dit artikel schrijf, zie ik hetzelfde vrouwtje met een nieuw nest uit de bloempot tevoorschijn komen. Deze keer een stuk of 50, 60. Na een maand hevelde ik ook deze jongen af en het bleken er inderdaad meer dan 50 te zijn.

Opkweekvoedsel

Gevoerd worden de jongen vanaf het begin met Liquifry no.1 en Artemia-naupliën, later ook nog Tetramin Baby. Door dit mengsel groeien ze voorspoedig en het eerste nest is al meer dan 1 cm groot. Overigens kan het feit dat het mannetje steeds fanatieker wordt in de broedzorg wel samenhangen met het grotere aantal jongen. Bij het rondleiden van de jongen worden achterblijvertjes en hardlopers meteen met de bek ingerekend en in de school teruggespuwd. 's Avonds om precies 22.45 uur, een kwartier voordat het licht uitgaat, zijn moeder en kroost weer in de bloempot verzameld.
Zo ben ik dan weer een ervaring met kweken rijker en ik zal nog wel wat nesten kunnen verwachten, denk ik zo. De ouderdieren voer ik overwegend met levend voer zoals Daphnia, rode en witte muggenlarven, tubifex en volwassen pekelkreeftjes. Als aanvulling een eigengemaakt droogvoermengsel en diepvriesvoer.
Al met al helemaal geen moeilijke vis om te houden en ook in de gezelschapsbak geen bezwaar. Hij stelt lang niet zoveel eisen als de meeste andere Apistogramma-soorten. Het proberen en houden zeker waard.

Auteur: 
W.H. Bijker
Fotografie: 
Jürgen Schmidt