Discordipinna griessingeri | Nederlandse Bond Aqua Terra

Discordipinna griessingeri

De rifaquaristiek is aan voortdurende veranderingen onderhevig. Lederkoralen hebben dikwijls plaats moeten maken voor de steenkoralen met kleine poliepen en grote vissen met prachtige kleuren en worden dan ook steeds meer uit vele rifaquaria verbannen.

Discordipinna griessingeri, een kostbaarheid die ook nog zeer moeilijk te zien is en dus te fotograferen isGrote aquaria maken plaats voor kleinere, maar naar mijn smaak vaak te kleine aquaria. (opm. vertaler: dat is dan misschien zo in Oostenrijk - het land van de auteur, in Nederland neemt het formaat van zeewateraquaria eerder toe dan af). De 'vissenaquaria' hebben plaatsgemaakt voor rifaquaria en op het ogenblik lijkt deze trend hoe langer hoe meer door te breken: 'Het op de soort gericht zijn en het verzorgen van kleine dieren in aquaria van voldoende grootte, die op een daarbij passende manier zijn ingericht'. Nog niet zo heel lang geleden heb ik over 'Kobolde im Korallenwald' geschreven (Frische 2004) en bij mijn onderzoek ontdekt, dat zelfs hele kleine vissen aanspraak maken op een territorium met een verrassend groot oppervlak. In gesprekken met zeewateraquarianen blijkt, dat de kleine vissen in 'nano-aquaria' verzorgd worden, omdat dan gewaarborgd is, dat men de kleine schuwe diertjes ook te zien krijgt. Een volstrekt begrijpelijk antwoord, dat voor mij echter niet tevredenstellend is, want juist bij de verzorging van de kleine vissen doet zich de mogelijkheid voor om de op de soort gerichte verzorging te geven met betrekking tot de natuurlijke behoefte aan ruimte.

Er wordt een experiment ondernomen

Ctenochaetus tominensisVanuit dit thema deed zich bij mij de vraag oproepen of het niet mogelijk zou zijn in een rifaquarium van 800 liter de dwergen van het koraalrif te verzorgen en in een gemeenschap te brengen, zodat ik ze regelmatig zou kunnen bestuderen. Het voordeel: de visjes kunnen in een dergelijke waterhoeveelheid - aangepast aan de soort - met voldoende leefruimte verzorgd worden. Dat zou voor mij een perfecte toestand zijn. Om aan deze thematiek te voldoen was een voorwaarde gekoppeld: 'dat ik me van vissen zou moeten scheiden', die mijn familie en mij jarenlang aan het hart lagen. Anderzijds was ik er echter van overtuigd, dat mijn idee alleen maar te realiseren was, als er geen grote vissen meer in het aquarium verbleven. Hun onophoudelijk rondzwerven in het aquarium zou tot gevolg hebben gehad, dat de kleine vissen bij nadering ertoe gebracht zouden worden hun toevlucht te zoeken in hun veilige holletjes. Ze zouden dan niet te observeren zijn.
Alleen een paartje Ctenochaetus tominensis verbleef in het aquarium om de opeenhoping van detritus en sediment op de bodem en de decoratie overzichtelijk te houden.

'De schuwe onder de schuwen'

In juni 2006 werd met het zojuist beschreven experiment met een uitdaging van de bijzondere soort gestart: met de Griessingers-grondel Discordipinna griessingeri Hoese & Fourmanoir, 1978. Waarom ik de verzorging van de amper 5 cm lang wordende Griessingers-grondel als een uitdaging beschouwde, hangt ermee samen, dat al die aquarianen, die Discordipinna griessingeri verzorgen, daarin overeenstemmen dat het bij deze grondel om een uitgesproken schuwe, verborgen levende soort gaat, die zelfs in kleine aquaria met voldoende decoratiematerialen haar schuilplaats slechts sporadisch verlaat (bijvoorbeeld Pfleiderer 2004, Schmiedel 2006). Discordipinna griessingeridraagt de Engelse naam Spikefin Goby, wat zoveel betekent als stekelvingrondel. Deze naam is afgeleid van de sterk verlengde eerste rugvin, die op een stekel of sterk verlengde spijker lijken zou. De gewone Duitse naam 'Griessingers-Grundel' past naar mijn mening aanzienlijk beter en wordt door Hoese & Fourmanoir 1978 als eerbetoon aan Mr. S. Griessingeri gegeven, die de paratypen bij Discordipinna griessingeri gevangen heeft. Vaak wordt gedurende de eerstbeschrijving naast het holotype een hele typusserie opgegeven om de stabiliteit c.q. de variatie van de identificerende kenmerken te kunnen documenteren. De exemplaren die in een dergelijke serie naast het holotype geplaatst worden, worden paratypen genoemd. (red. - Een holotype is een van de verschillende, mogelijke types in de biologische nomenclatuur. In de biologische naamgeving is een type, datgene waarbij de naam verankerd is in een taxon. Met taxon bedoelt men een groep organismes, dat een te onderscheiden eenheid vormt en is vastgesteld door een taxonoom. Het holotype is een uniek exemplaar van een organisme, dat genoemd of aangewezen wordt in de oorspronkelijke beschrijving van het taxon).
Het holotype daarentegen beschrijft tijdens de eerstbeschrijving van een officiële soort of ondersoort een kenmerkend exemplaar c.q. individu, dat als een objectief referentiepunt voor de nieuwe naam gehouden wordt. Het holotype van Discordipinna griessingeri is van het vrouwelijke geslacht. Met een lengte van circa 19,5 mm SL werd deze op 9 tot 12 m diepte ontdekt en gevangen. De vindplaats is El Himeira, een gebied in de Golf van Akaba, aan de Israëlische kant (Hoese & Fourmanoir 1978).
Intussen werd de soort in vele riffen van de wereld gevonden en de verspreiding wordt op het moment door Kuiter & Debelius (2006) met Indonesië en Oost-Australië aangegeven. Voortaan gelden de Rode Zee, de Marquesian- en de Gambiereilanden als gebieden waar ze voorkomen.

Nog enkele grondels uit de Filippijnen zijn Eviota pellucida

Mijn exemplaren komen uit de Filippijnen. Zij leven tussen levende koralen, los gesteente en zand. Een partnerschap met garnalen in holen is niet gedocumenteerd. Veeleer vestigt de grondel zich onder stenen. Blijft nog aan te vullen, dat de soort in de Fishbase en ook door Kuiter & Debelius (2006) als monotypisch beschreven is. Een toestand die zeker binnenkort veranderen zal, want bij het nazoeken op internet stuitte ik op een een afbeelding van Mitsuaki Takata, waarop een verder nog onbeschreven grondel staat afgebeeld, die in dit geslacht beslist zou kunnen worden ingedeeld.

Een vis met charisma

Het eerste contact met deze grondel met zeer opvallende kleuren had ik ongeveer drie jaar geleden. In een ongeveer 40 liter bevattend verkoopaquarium verschool ze zich bewegingsloos in de achterste hoek. Iedere vorm van decoratie ontbrak, want alleen zo kon Discordipinna griessingeri tenminste ontdekt worden.
De reusachtige borstvinnen, die bij schijnbaar gevaar opgezet worden en met krachtige golfbewegingen heen en weer bewogen worden, zijn mij goed in mijn herinnering gebleven. Ook de sterk verlengde rugvin werd opgericht en kon zonder problemen zo ver naar voren gekanteld worden, dat ze op de kop terechtkwam en ver voorbij de neuspunt uitstak. Slechts eenmaal eerder had ik het gebruik van de borstvinnen op deze manier al gezien: het was bij een Callogobius hasselti.
Waarom ik het dier toen niet aangeschaft heb, lag eenvoudigweg aan de hoge prijs, die Pfleiderer (2003) treffend als astronomisch had aangeduid. Maar wie eens een Discordipinna griessingeri gezien heeft, zal deze nooit meer vergeten. Ze heeft zich in het onderbewustzijn gegrift en men loert slechts op een passende gelegenheid om de dieren te pakken te krijgen.

Griessingers grondel neemt zijn intrek in mijn aquarium

In juni 2006 deed zich opnieuw de gelegenheid voor om er een te kopen. Deze keer was het zelfs een paartje, dat voor een betrekkelijk billijke prijs werd aangeboden. Beide dieren waren ongeveer 2 cm groot en zaten al 6 weken in de verkoopstelling. De dieren werden gevoerd met levenden naupliën, bosminen, visseneieren en zelf ingevroren kleine Artemia salina, die goed werden gegeten, wat een proefvoedering uitwees. Dat je er van tevoren lang niet altijd zeker van kunt zijn, dat vervangend voer geaccepteerd zal worden, tonen opgaven van Pfleiderer (2003) aan, die erop wijzen dat alleen maar levende naupliën werden gegeten en ook Schmiedel (2006) beschrijft in zijn uiteenzettingen, dat hij tot op de dag van vandaag niet weet, wat zijn paartje Discordipinna griessingeri eet, omdat hij bij zijn tot op dat moment tweejarige verzorging de dieren nog nooit bij het eten van voer heeft gadegeslagen.
Nadat het stelletje grondels aan de nieuwe waterparameters gewend waren, werden ze voorzichtig in het 800 liter grote rifaquarium vrijgelaten. Hiervoor bedankten de beide visjes me met een spectaculaire showdans: behalve de beschreven golvende beweging van de borstvinnen wil ik nog vermelden, dat de verlengde rugvin wippend werd bewogen. Ze werd op en neer bewogen en het leek alsof ze als een dirigeerstokje op de maat van een melodie (die niet te horen was) werd bewogen.
Een andere grondel afkomstig uit de Filippijnen is Trimma rubromaculatusTerwijl de beide genoemde organen in de beschreven volgorde in beweging werden gehouden, begonnen de grondels zich nu ook nog huppelend voort te bewegen om een veilig plekje onder de decoratiematerialen te vinden. Omdat aan deze grondels schijnbaar alles in beweging was, kon ik vaststellen waartoe deze inzet van de showdans verricht werd. Hij diende er naar mijn mening eenvoudig voor om de lichaamsomvang te doen toenemen. Buiten dat kon ik me niet aan de indruk onttrekken, dat de roestkleurige plaatsen op het lichaam, die in de vinnen versterkt waren ontwikkeld, als waarschuwingskleur dienden. Een verkeerde interpretatie, want in de natuur komt de kleur rood op dieptes, waarop deze grondels leven, als grijs over. Nauwelijks was een geschikte schuilplaats gevonden of beide dieren verdwenen. Misschien wel tot nooit meer?

Verscholen, meer verscholen, het meest verscholen

De volgende morgen kon ik beide dieren in de schijn van de blauwe belichting ontdekken. De onmiddellijk verstrekte visseneieren en bosminen werden gretig gegeten als ze maar op de juiste afstand voorbij de mond dreven. Om dit te bereiken werden telkens 10 gram van het genoemde voer als dobbelsteentjes direct verstrekt. Met het aandoen van de dagverlichting verdwenen de beide charismatische grondels in de beschutting van het decoratiemateriaal. Nog eens was het me vergund de beide Discordipinna griessingeri te zien te krijgen. Ongeveer acht weken later kon ik het paartje op ongeveer gelijke tijd nog eens gadeslaan en voeren. Sinds die tijd echter zijn ze spoorloos verdwenen. Niet verwonderlijk, want Schmiedel bericht, dat het tien maanden geduurd heeft vooraleer een van zijn Griessingers-grondels opdook.

Verzorging - ja of nee?

De schuwe Griessingers-grondel is een charismatische schoonheid, die in het verborgene leeft, die zich maar zelden aan de aan zijn toeschouwer toont. Dit gedrag is zowel in kleine aquaria met de afmeting 80 x 40 x 40 (Schmiedel 2006), maar ook in een 800-literaquarium waar te nemen. Voortdurend zou ze te zien zijn in een klein aquarium zonder decoratiemateriaal. Een manier van verzorgen, die ik niet zou ondersteunen, omdat ze niet soorteigen is en de gestreste grondel dan geen natuurlijk gedrag zou vertonen. Omdat deze grondel territoriaal schijnt te leven, blijft op zijn minst de troost, dat de aquariaan weet, waar de diertjes zouden moeten opduiken, als ze dan al eens de behoefte gevoelen hun schuilplaats te verlaten.
Een andere mogelijkheid, die Dr. Thomas Heeger van Marine Fauna me in een gesprek aanraadde, zou zijn om het aantal dieren per aquarium te verhogen. Hoe meer paartjes in een aquarium leven, des te eerder bestaat de mogelijkheid, dat een of ander exemplaar te zien is. Een interessant antwoord, dat in de praktijk meestal niet gerealiseerd zal worden, omdat de Griessingers-grondel niet alleen optisch als juweel kan worden aangeduid, maar ook prijstechnisch gezien als een juweel (prijs per vis boven de € 100,00) beschouwd moet worden.

Auteur: 
Joachim Frische
Fotografie: 
Joachim Frische
Vertaling: 
Frans Maas
Literatuur: 
Baensch, H. A. & Debelius, H. (1992): Meerwasser Atlas - Band 1. Mergus Verlag, Melle. 1216 S
Frische, J. (2004): 'Kobolde im Korallenwald'. Der Meerwasseraquarianer 8(1), 52-58
Hoese, D. F. & Fourmanoir, P. (1978): Discordipinna griessingeri, a New Genus and Species of Gobiid Fish from the Tropical Indo-West Pacific. Japanese Journal of Ichthyology 25(1), 19-25
Kuiter, R. H. & Debelius, H. (2006): Atlas der Meeresfische. Kosmos Verlag. Stuttgart. 720 S
Pfleiderer, J. (2004): Griessingers-Grundel - eine extrem 'rare' Rarität.
Der Meerwasseraquarianer 8(1), 7
Schmiedel, P. (2006): Reef Safe
Wikipedia (2006) (Duits)