Poecilia orri Fowler, 1943

Wat is een mollie? Met enige moeite, gebruiken wij de naam 'mollie'. Hoewel wij niets tegen deze vissen hebben, integendeel, is de naam mollie slecht gekozen. Deze verbastering van Mollienesia, een genus (geslacht) opgericht door LeSueur in 1823, is echt een genus omdat het nu eenmaal opgericht is. De heer LeSueur zelf verraste vriend en vijand door het genus bij de beschrijving van de zeilvinmollie (M. latipinna) op te richten en op de volgende pagina het vrouwelijke exemplaar van deze soort (dat hij ook gevangen had) 'gewoon' als Poecilia multilineata in het genus Poecilia te plaatsen. Het andere geslacht is het andere geslacht heeft hier een dubbele betekenis. Tegenwoordig wordt het genus Mollienesia als onderdeel van Poecilia gezien en heet de zeilvinmollie Poecilia latipinna.

Poecilia orri, man en vrouwWanneer het over mollies gaat, denkt elke aquariumhouder meteen aan de 'black molly'. Deze pikzwarte levendbarende is bijna door iedereen wel eens gehouden en velen zullen zich de kleine grijze of zwarte pasgeboren jongen aan het wateroppervlak voor de geest kunnen halen. Om een zo goed mogelijke kweekgroep te krijgen, kunnen de zwarte jongen het beste worden geselecteerd. Deze geven op de lange duur de beste resultaten. De grijze jongen worden op latere leeftijd zwart. Helaas is de kwaliteit van de heden ten dage aangeboden black molly's dusdanig slecht dat het een lastig te houden en te kweken vis is geworden. Het zou een goede zaak zijn wanneer de professionele kwekers weer eens wat aandacht aan de kwaliteit van de vis zouden schenken en zich niet alleen op kwantiteit richten.
Van de 'black molly' bestaan zowel exemplaren met een lage als een hoge rugvin. Bij de gitzwarte mollie die men tegenwoordig aantreft, weet men niet meer welke soorten precies de voorouders waren. Moet de voorouder gezocht worden bij de zeilvinmollie P. latipinna (de oorspronkelijke Mollienesia) of bij een kortvinnige soort als P. sphenops? De gitzwarte mollie is een kweekvorm waarbij genetisch materiaal van een aantal molliesoorten is gebruikt. Veel soorten zijn, zeker in een aquarium waar geen partners van de eigen soort aanwezig zijn, onderling eenvoudig te kruisen.
Het kruisen van allerlei soorten was een geliefd studie-object van Carl Hubbs (Hubbs, 1933, 1934). Op basis van de resultaten van zijn onderzoek trok hij de conclusie dat 'waarschijnlijk alle soorten binnen een genus gekruist kunnen worden'. Later onderzoek maakte duidelijk dat dit niet altijd het geval is en dat er ook vaak steriele nakomelingen ontstaan (Schröder, 1969). Het aantal kruisingen dat vruchtbare nakomelingen oplevert, is echter legio. Aangezien er al een grote natuurlijke variatie in kleur en tekening binnen een soort is, heeft een geïnteresseerde kweker een schat aan bouwstenen tot zijn beschikking om een fraaie kweekvorm te ontwikkelen. Dit heeft in de loop der tijd dan ook geleid tot vele molliekweekvormen met de meest uiteenlopende vinnen en kleuren. Zelfs rode mollies zijn reeds gekweekt en worden regelmatig in de handel aangeboden.
Door de vele kweekvormen zijn de oorspronkelijke, wilde mollies naar de achtergrond gedrongen. Alleen bij gespecialiseerde liefhebbers komen we ze nog tegen. Eén van de weinige soorten waarvan af en toe een op de oorspronkelijk vorm gelijkende vis wordt aangeboden, is de hoogvinkarper (P. velifera). Deze prachtige vorm wordt helaas steeds vaker verdrongen door kweekvormen als de albino.
Bij de kortvinnige mollies ligt dit niet anders. Hiervan treffen we bijna nooit exemplaren in de handel aan. Er zullen dan ook niet veel aquaristen zijn die een zuivere vorm van P. mexicana of P. gillii in hun aquarium hebben.

Hoezo Mollienesia?

Poecilia mexicana, parend. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied, van de Verenigde Staten tot het zuiden van Mexico.Voor de systematiek zijn deze kruisingen natuurlijk smullen. Het toont aan dat de soorten van Poecilia allemaal tot één enorm uitgebreid genus en afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt voor soort, zelfs tot één soort behoren. Hoezo Poecilia? Horen wij verschillende mensen denken. Dat zullen wij uitleggen, waarmee meteen het onderwerp van dit verhaaltje wordt geïntroduceerd.
In een nimmer aflatende ijver om de naam Mollienesia maar vooral te behouden (de visjes heten nu eenmaal 'mollies'), heeft Robert R. Miller in 1975 het subgenus Mollienesia opnieuw gedefinieerd. Hij vond een miniem kenmerk in het gonopodium (voor de geïnteresseerden: dorsale tandjes op vinstraal 4a, volgens hem uniek, volgens mij ook te bezichtigen bij de gup P. (of is het Lebistes) reticulata en P. (of is het Micropoecilia) picta), waarmee hij oogvlektandkarper P. vivipara Bloch & Schneider, 1801 als enige echte Poecilia-soort overhield. Alle andere 'mollies' werden hiermee Mollienesia. Tja, als je met alle geweld een naam wilt behouden.
Het hele verhaal wordt nog complexer wanneer blijkt dat er eigenlijk een geleidelijke overgang in de vorm van het geslachtsorgaan van de mannetjes (gonopodium) en de andere kenmerken (zoals aantal schubben en vinstralen) plaatsvindt. Een nadere bestudering van deze kenmerken maakt duidelijk dat de meest noordelijke en zuidelijke soort wel erg van elkaar verschillen, maar dat daartussen allerlei overgangsvormen worden gevonden. Aangezien de overgang geleidelijk en de verschillen in sommige gevallen minimaal zijn, zijn er in de loop der tijden allerlei nieuwe soorten beschreven en na voortschrijdend inzicht weer tot synoniem verklaard. Dit maakt het er allemaal niet eenvoudiger op en het is dan ook zo dat de status van de soorten binnen het subgenus Mollienesia op dit moment niet zo duidelijk is.

En dat brengt ons dan eindelijk bij de mangrovemollie (P. orri). Deze soort lijkt zo sterk op P. vandepolli, dat het maar de vraag is of het een aparte soort is. Maar P. vandepolli is alleen te vinden op de Nederlandse Antillen, terwijl P. orri daar een eind vandaan woont: de baaien, kustlagunes (incl. mangrovebos), koraalriffen, brakwaterpoeltjes en riviermondingen vanaf de oostzijde van het Yucatan-schiereiland en Quintana Roo (Mexico), zuidwaarts en oostwaarts door Belize en noordelijk Honduras (inclusief de voor de kust liggende Bay Islands en Hog Island), en Providence Island (Colombia) (zie: Miller, 1983). Laat je niet bedotten door het laatstgenoemde land; Colombiaans vasteland ligt er plm. 1500 km vandaan! Deze soort is nauwelijks te onderscheiden van P. orri en wordt tegenwoordig als een synoniem hiervan beschouwd.

Op zoek naar het visje

Een stukje mangrovebos, waar eerst naar Poecilia orri werd gezocht (foto C.M. de Jong).Toen Kees in mei 1996 samen met Liekele Sijstermans, André Schonewille en Tim Bollick op vangreis naar Mexico ging, heeft hij ook geprobeerd om P. orri te vangen en enkele exemplaren levend mee naar Nederland te nemen. In eerste instantie werd de vis niet gevonden. Pas aan het einde van de reis, toen Tim en André al naar huis waren, vonden Liekele en Kees deze soort. Via Internet had Kees bij de universiteit van Michigan reeds informatie opgevraagd over de locaties waar de soort eerder was gevangen.
Het bleek dat de soort in de omgeving van de lagune Bahia de la Ascension aan de Caribische kust in de staat Quintana Roo, op het schiereiland Yucatan, eerder was gevangen. Vanuit de plaats Felipe Carrillo Puerto gingen ze naar deze soort op zoek in het kustgebied van deze baai. Ten zuiden van de ruïnes van Tulum loopt een onverharde weg langs de kust naar het zuiden in de richting van het plaatsje Boca Paila. In dit gebied is sprake van mangrovebos; een type landschap waar P. orri vaak wordt aangetroffen. De soort dankt zijn Nederlandse naam, mangrove-mollie, aan dit landschap. De vis komt zowel in zoet, brak- als zeewater voor.
De onverharde weg loopt over een smalle landstrook die aan de oostelijke kant langs de Caribische zee loopt en aan de andere kant aan de baai grenst. De landengte is op sommige plaatsen slechts 100 meter breed en, naast mangrovebomen die in het water staan, begroeid met palmen. Hier en daar zijn enige vakantiehuisjes aanwezig. Soms werd er gestopt om te kijken of in de baai misschien de mangrovemollie aangetroffen kon worden. Af en toe was een vis zichtbaar die deed denken aan een mollie. Helaas lukte het niet om deze dieren te vangen. Ook het gebruik van een val bood geen soelaas. Andere vissen die duidelijk herkenbaar waren, waren een grote geep en bijzonder fraaie bruine kogelvissen met gele stippen. In de diepere gedeelten waren grote scholen met kleine visjes te zien. Hoewel er genoeg in dit prachtige gebied te zien valt, was het eigenlijke doel, de mangrovemollie, niet te vinden. Na een tocht van ruim drie uur werd de zoektocht dan ook beëindigd. Op de terugreis viel het oog op een kleine poel van drie meter in het vierkant bij enkele vakantiehuisjes. Hierin waren enkele kinderen met emmertjes aan het spelen. Er werd een laatste poging gedaan om de mangrovemollie in dit gebied te vangen. De VW-bus werd aan de kant gezet en onder grote belangstelling van de kinderen sprong Kees de Jong in het water en begon fanatiek met zijn net naar de rondzwemmende vissen te slaan. De eerste slag was meteen raak. Naast een aantal Gambusia's werd een fraaie man van de mangrovemollie gevangen. Deze had prachtig rode ongepaarde vinnen, een duidelijke zwarte schoudervlek en enige verticale zwarte banden op het lichaam. Vol enthousiasme en onder het oog van de verbijsterde kinderen werd de vangst voortgezet. Met de hulp van Liekele werd het sleepnet door het water gehaald en konden er nog enkele exemplaren worden gevangen. Blijkbaar was men dergelijke activiteiten daar in de buurt niet gewend. Een Amerikaan uit een van de huisjes kwam zijn beklag doen. Hierbij viel het woord 'trespassing' (verboden terrein) enkele malen. Na onze excuses gemaakt te hebben, werd er alsnog toestemming gekregen om door te gaan met vangen. Het resultaat was dat er ongeveer 15 mollies gevangen en meegenomen konden worden.

De vangplaats van Poecilia orriTot slot werd er nog een aantal metingen verricht. Dit leverde de volgende resultaten op: pH 7,5, GH 50 en een elektrisch geleidingsvermogen van 5400 microSiemens/cm. Extreme waterwaarden die duiden op een sterke invloed van de zee. Het is niet onwaarschijnlijk dat door een sterke storm zeewater in deze poel terechtkomt. Mogelijk dat er via een ondergronds stroompje zoetwater in de poel komt. De geologische structuur van Yucatan is dusdanig dat er ondergrondse riviertjes stromen die af en toe aan de oppervlakte komen. De bronnen die dit oplevert, worden cenotes genoemd. Vele Maya-bouwwerken werden rondom een dergelijke bron gebouwd, zodat er voor de bewoners altijd zoet water beschikbaar was. Bij veel ruïnes (bijvoorbeeld Kohunlich) zijn deze cenotes vaak nog te vinden. In sommige gevallen was een dergelijk waterreservoir wel 40 meter diep.
Nadat de metingen gereed waren, werd er nog een kort bezoek gebracht aan de Maya-ruïnes van Tulum. Hoewel erg toeristisch behoren deze aan de kust gelegen gebouwen tot de fraaiste van de regio. De vijftien vissen werden daarna zo snel mogelijk per stuk in een plastic zak verpakt. Tijdens de laatste vier dagen werd het water elke dag ververst, waarbij de eerste dagen van water uit de oorspronkelijke biotoop gebruik werd gemaakt. De avond voor het vertrek werden de vissen zo compact mogelijk verpakt, waarna ze 36 uur later in een Nederlands aquarium losgelaten konden worden. Alle vissen hadden de reis goed doorstaan en begonnen meteen van de aangeboden diepvries-muggenlarven te eten.

Eenmaal thuis

Zoals met de meeste mollies geeft ook de verzorging en de kweek van de mangrovemollie in het aquarium geen problemen. Hoewel het water in de vangplaats enige extreme waarden kende, doen de vissen het ook goed bij een hardheid van 13° DH, die ze in het aquarium hebben.
Binnen de school is duidelijk sprake van een rangorde. Enkele dominante mannen hebben de meest uitgesproken kleuren. Bij deze vissen zijn de donkere vlek op de schouder en de donkere dwarsbanden op het achterlichaam het duidelijkst aanwezig. De rugvin is hoger dan bij de niet dominante mannen en bevat gele en witte vlekken in combinatie met zwarte vlekken en strepen. De staartvin heeft een donkere zoom. Op de zijkant van het lichaam bevinden zich blauw iriserende schubben. Al deze kenmerken zijn bij de minder dominante mannen veel minder of soms zelfs helemaal niet aanwezig. Bovendien verschillen deze twee enorm in lengte: de dominante mannen zijn ongeveer 7 cm lang, de kleinste mannen minder dan de helft. De vrouwtjes hebben een kleine drachtigheidsvlek en een lichte streeptekening op het achterlichaam. In de rugvin bevinden zich enkele donkere vlekken. Ze bereiken een lengte van ongeveer 7 cm. Het is interessant om het gedrag van de verschillende mannen in de school eens een tijdje gade te slaan. De dominante man besteedt veel tijd aan het met gespreide vinnen voor de aanwezige vrouwtjes te pronken. Hierbij vertoont hij zijn fraaiste kleuren en tekening. Daarnaast wordt een groot deel van zijn tijd besteed aan het wegjagen van de niet dominante mannetjes, zodat deze geen vrouwtjes kunnen bevruchten. Af en toe wordt er een poging om met een vrouwtje te paren ondernomen. De niet dominante mannetjes spenderen geen tijd aan het uitgebreid baltsen voor de vrouwtjes. Ze proberen onder het vrouwtje te komen om verder zonder omhaal met het vrouwtje te paren. Onderzoek bij de op een vergelijkbare wijze levende Limia perugiae door Erbelding-Denk et. al. (1994) heeft aangetoond dat het op grote school voor kan komen dat de dominante mannetjes door het uitbundige baltsen en achtervolgen van de andere mannetjes er helemaal niet aan toe komen om een vrouwtje te bevruchten. Alle jongen die worden geboren, hebben dan als vader een niet dominante man.

 Poecilia cf shpenops, een kortvinnige mollie, gevangen bij Puente Chinoluiz.De verzorging van de vissen geeft verder geen problemen. Al het aangeboden voer wordt prima gegeten. De mangrovemollie lijkt met veel genoegen droogvoer van het wateroppervlak te slobberen. Een combinatie van goed droogvoer en levende of ingevroren muggenlarven is voor deze vissen voldoende. Tussendoor zullen ze onvermoeibaar op zoek gaan naar in het aquarium aanwezige algen (een hapje groenvoer op z'n tijd kan dan ook geen kwaad!).
De kweek heeft bij de wildvangdieren en de eerste aquariumgeneratie geen problemen opgeleverd. Om de vier weken werpen de vrouwtjes hun jongen. Deze jongen hebben meteen na de geboorte kleine donkere dwarsbandjes op het achterlichaam. Als ze iets groter worden, verdwijnen deze weer. Het maximale aantal jongen dat wij hebben kunnen waarnemen, lag rond de twintig. Het is niet nodig om de vrouwtjes apart te zetten. Indien er grote groepen aquariumplanten of andere schuilplaatsen voor de net geboren visjes aanwezig zijn, blijft er altijd een aantal over. Wanneer er voldoende wordt gevoerd krijgen deze genoeg om tot volwassen vissen op te groeien. Na ongeveer zes maanden zijn de jongen geslachtsrijp. Bij sommige alpha-mannen kan dit echter wel 9 maanden duren.
Het is nog even afwachten in hoeverre de fraaie tekening van de wildvangvissen in de aquariumstam aanwezig blijft. Eerdere ervaringen met wildvang P. gillii, P. marcellinoi en P. mexicana hebben duidelijk gemaakt dat de fraaie kleuren van vooral de dominante mannen niet meer zo nadrukkelijk aanwezig zijn. Hiervoor zijn natuurlijk legio redenen aan te voeren. De watersamenstelling en het voer zullen nooit gelijk zijn aan die in het natuurlijke milieu. Daarnaast speelt ook het zonlicht een belangrijke rol bij het uitkleuren van de vissen. Het tijdelijk buiten in de vijver houden van deze vissen kan hiervoor een oplossing zijn. Zorg wel voor een dusdanig ingerichte vijver dat het mogelijk is om de vissen aan het eind van de zomer te vangen.

Auteur: 
C.M. de Jong en F.N. Poeser
Fotografie: 
J.C. Merino
Literatuur: 
Fowler, H.W., 1943. A new Poeciliid fish from Honduras - Notulae Naturae of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia 117: 1 - 4
Fowler, H.W., 1950. Results of the Catherwood-Chaplin West Indies expedition, 1948 Part III The Fishes - Proceedings of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia Vol CII: 69 - 90
Erbelding-Denk, C., J.H. Schröder, M. Schartl, and I. Nanda, 1994. Male polymorphism in Limia perugiae (Pisces: Poeciliidae). - Behaviour Genetics (1): 95 - 101
Hubbs, C.L., 1934. Species and hybrids of Mollienesia. The Aq. 1 (10): 263 - 268, 177 1934.
Hubbs, C.L., 1936. Double crossing molly. The home aq. bull. 4 (6): 5- 11
Hubbs, C.L. Fishes of the Yucatan Peninsula.- Carn. Inst. Wash. Publ. 17 (457): 157 - 287
Miller, R.R., 1975. Five new species of Mexican Poeciliid fishes of the genera Poecilia, Gambusia, and Poeciliopsis. Occa. Papers Mus. zool. Univ. Michigan. 672: 1 - 44
Miller, R.R., 1983. Checklist and key to the Mollies of Mexico (Pisces: Poeciliidae: Poecilia, subgenus Mollienesia). Copeia 1983 (3): 817 - 821
Rosen, D.E., and R.M. Bailey, 1963.
The Poeciliid fishes (Cyprinodontiformes), their structure, zoogeography and systematics. - Bull. Am. Mus. Nat. Hist. 126 (1): 1 - 176
Schröder, J.H., 1969.
Anmerkungen zur Systematischen Revision der Gattungen Mollienesia, Lebistes und Limia (Poeciliidae; Cyprinodontiformes). - Aq. Ter. 1969 (12): 410 - 412