'Snoeken' in het huiskameraquarium

De titel is ietwat misleidend, want snoeken in de bak, dat is nu eenmaal niet mogelijk in combinatie met bijvoorbeeld een schooltje kardinalen of purperkoppen. Ik doel hierbij dan ook niet op de echte inheemse snoek, Esox lucius, maar op een groep vissen die qua bouw en gedrag wel iets van een snoek weghebben.

De soorten uit de geslachten Epiplatys en Aplocheilus, uit respectievelijk Afrika en Azië, zijn bij aquariumliefbebbers wijd verbreid en zeer geliefd als bewoners van de bovenste waterlagen, maar zij voelen zich ook prima in de middelste en zelfs onderste waterlagen van het aquarium. Hoewel ik dit best zou willen (en waarschijnlijk ook wel zou kunnen), ga ik geen uitgebreid betoog houden over deze twee geslachten, maar beperk mij tot een soort die al een aantal jaren in mijn speciaalaquarium rond zwemt: Epiplatys sexfasciatus, vrij vertaald uit het Latijn 'de vis met de brede rug en de zes strepen'. Epiplatys sexfasciatus Gill, 1862 is met een maximale lengte van elf cm één van de grootste, zo niet de grootste soort uit het geslacht Epiplatys, een geslacht uit de zeer grote familie der Cyprinodontidae ofte wel de eierleggende tandkarpers, populair gezegd de killivissen. Epiplatys sexfasciatus heeft een zeer groot verspreidingsgebied in de kustgebieden van West-Afrika. De soort is dan ook (net als overigens vele andere soorten killivissen) verdeeld in een aantal ondersoorten, die elk een min of meer geïsoleerd deel van het verspreidingsgebied bevolken.

In 1995 werd de soort Epiplatys sexfasciatus gereviseerd en viel uiteen in drie soorten. Als de 'echte' Epiplatys sexfasciatus wordt nu beschouwd de vorm afkomstig uit Noord-West-Gabon rond de typelocaliteit, het mondingsgebied van de Ogowe-rivier. Het benedenstroomgebied van die rivier en aansluitende stroomgebieden tot in zuidelijk Equatoriaal Guinee.

Goede springers

Hoewel overwegend de bovenste waterlagen bevolkend, mogen de vissen zich graag in het midden van het aquarium tussen de waterplanten ophouden, wachtend op een argeloos voorbijzwemmende prooi, zoals snoeken dit inderdaad ook doen. Met een flitsend snelle beweging wordt deze prooi, wat een waterinsect, maar ook een klein visje kan zijn, verschalkt, waarna de schuilplaats weer wordt opgezocht. Uiteraard wordt het meeste voedsel op de oppervlakte of vlak daarboven gevonden, waarbij ze flinke sprongen boven het water kunnen maken. Ook springen ze in de natuurlijke biotopen, kleine beschaduwde watertjes in het kustgebied van West-Afrika, vaak naar ander, nabijgelegen water. Het blijft daarom zaak om het aquarium goed afgedekt te houden om ongewenste verliezen te voorkomen.

De soort die we in de aquaristiek doorgaans beschouwden als Epiplatys sexfasciatus en geëxporteerd vanuit zuidelijk Nigeria, moet nu Epiplatys togolensis heten. Het verspreidingsgebied van deze soort is het kustlaagland van West-Afrika, van de Cross-rivier in Oost-Nigeria en West-Kameroen tot oostelijk Ghana. Over het algemeen bezit deze soort weinig kleur en is overwegend blauwgroen gekleurd. Hier een exemplaar dat werd verzameld bij Ondo in Zuid-Nigeria.

Kweek

Zoals veel eierleggende tandkarpers is het kweken met deze visjes een tamelijk eenvoudige zaak. Wie in korte tijd een flink aantal jongen wil, kan dit op simpele wijze met de beproefde mopmethode doen, maar ook gemakskwekers, zoals ik, kunnen een behoorlijk aantal jongen grootbrengen. Vrijwel dagelijks zijn er paringen waar te nemen, waarbij de begroeide zijwanden van het aquarium en de wortels van de drijfplanten favoriet zijn als afzetplaats. Wanneer ik de op de eieren azende medebewoners te snel af ben, kan ik wat eieren redden en die vervolgens laten uitkomen en de larven opkweken. Maar regelmatig ontdek ik een jonge Epiplatys tussen de beplanting of de in mijn aquarium hangende kienhoutwortels. Ik schep deze dan uit de bak en zet hem in een bakje apart om veilig groot te worden. Bij goede voedering worden de vissen inderdaad een cenitimeter of elf groot en kunnen een jaar of zes oud worden. Bij volledig uitgegroeide exemplaren is bij een juiste belichting een prachtige staalblauwe glans te zien, iets wat de langzaam groeiende jongen pas op latere leeftijd krijgen. Een jonge sexfasciatus doet er naar mijn ervaring ongeveer een jaar over om volledig uit te groeien, maar het geslachtsonderscheid is al na enkele maanden zichtbaar.

De kleurigste uit deze groep is ongetwijfeld Epiplatys infrafasciatus. Deze soort, die twee kleurvormen kent, een rode en een gele, komt voor ten oosten van de Cross-rivier tot in Zuid-Kameroen. De Cross-rivier mag als een faunagrens worden beschouwd tussen meer soorten dan alleen die van het geslacht Epiplatys. Deze rode vorm komt voor bij Bipindi in Kameroen. In dezelfde populatie komt ook de gele vorm voor.

Voedsel

Om deze schitterende vissen in goede conditie te krijgen (en uiteraard te houden), is het noodzakelijk om het menu niet te beperken tot droogvoer, maar om afwisselend en liefst levend voer te doseren. Gezien de grootte zijn ze in staat om grotere prooidieren als spinnen en meelwormen te verorberen, maar ookvisjes tot twee cm grootte zijn beslist niet veilig. Verder zijn ze gek op Artemia, muggenlarven en Mysis.

Aquariumeisen

Epiplatys sexfasciatus is een goede vis voor een groot aquarium, dat verder bevolkt wordt door min maal 4 cm grote vissen. Een plaatselijk dichte en gedeeltelijk tot de oppervlakte reikende beplanting is noodzakelijk om de vissen op hun gemak te stellen; een enkele drijfplant wordt eveneens zeer op prijs gesteld. De zuurgraad, hardheid en elektrische geleidbaarheid zijn voor het welzijn van deze 'snoekjes' van ondergeschikt belang, maar een temperatuur van 24 tot 27° C is gewenst. Tot slot de verlichting. Het is mijn persoonlijke ervaring dat een gematigde verlichting boven het aquarium bijdraagt tot een optimale kleuring bij deze dieren.

Auteur: 
H.A. Sieraad
Fotografie: 
R. Wildekamp